Aanbevelingen aan de Brusselse regering
Bijgewerkt op: 19/03/2026
om de toegang tot kwaliteitsvolle en energiezuinige woningen, energie en water voor iedereen te garanderen
Coördinatie Gas-Elektriciteit-Water Brussel (CGEE)
De Coördinatie Gas-Elektriciteit-Water (CGEE) bestaat uit de Federatie van Maatschappelijke Diensten, het Collectief Solidariteit tegen Uitsluiting, de Equipes Populaires Bruxelles, het Brussels ACV, de ABVV, het Steunpunt voor de diensten schuldbemiddeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Inter-Environnement Bruxelles en andere leden van het maatschappelijk middenveld en de academische wereld.
De CGEE is een onmisbare speler bij het waarborgen van het recht op energie en water, met name voor de meest kwetsbare groepen.
Ongeveer een op de vijf Brusselse huishoudens leeft vandaag in energiearmoede. Deze vorm van armoede ontstaat door een combinatie van drie belangrijke factoren: te hoge facturen, inefficiënte huisvesting en defecte installaties, en een ontoereikend inkomen. Daarbij komen nog de ingewikkelde administratie en het niet-gebruik van rechten.
Meer dan 100.000 Brusselaars hebben te lijden onder waterarmoede, en dat cijfer dreigt nog verder toe te nemen gezien de recente stijging van de waterprijs. Sinds 1 januari 2026 is de waterprijs met 12,5% gestegen in het Brussels Gewest. Dit is de vierde stijging in vijf jaar.
Om energie- en waterarmoede tegen te gaan, beschikt het Brussels Hoofdstedelijk Gewest over een aantal hefbomen. Op basis van de gewestelijke beleidsverklaring (GBV) licht deze nota de prioritaire maatregelen toe die de Brusselse regering zou moeten nemen op het vlak van energie en water.
De slechte kwaliteit van woningen werkt energie- en waterarmoede in de hand.
In Brussel is het voor een groot deel van de bevolking, waarvan meer dan een vierde onder de armoedegrens leeft, nagenoeg onmogelijk geworden om nog een betaalbare en kwaliteitsvolle woning te vinden. De huur betalen is voor die mensen een dagelijkse uitdaging geworden, met soms dramatische gevolgen.
32% van de Brusselaars leeft bovendien in een woning met ernstige gebreken, zoals slechte isolatie, waterinsijpeling en vocht, enkel glas en/of verouderd raamwerk, en met problemen op het vlak van gezondheid en conformiteit.
Het zou dus een prioriteit moeten zijn om ervoor te zorgen dat woningen voldoen aan de geldende veiligheids- en gezondheidsnormen, vooral ook omdat een deel van die werken de energieprestatie van de woning zal verbeteren. Vocht- en condensatieproblemen (waarop de gezondheidsnormen in artikel 4 van de Brusselse Huisvestingscode gericht zijn) komen bijvoorbeeld vaker voor in woningen met een slechte EPB-waarde (F of G) dan in beter geïsoleerde woningen.
Als prioritaire werken om de energieprestatie, het comfort van de bewoners en de naleving van de gezondheids- en veiligheidsnormen te verbeteren, raden we aan: de isolatie van het dak in combinatie met een efficiënt ventilatiesysteem om onder andere condensatieproblemen te vermijden, maar ook de installatie van dubbele beglazing en de vervanging van vervuilende verwarmingsketels en boilers die te veel verbruiken en die CO-vergiftiging kunnen veroorzaken.
Krachtens artikel 221 van de Brusselse Huisvestingscode mogen deze prioritaire werken niet leiden tot een verhoging van de huurprijs zolang de huurovereenkomst loopt. Alleen werken om de EPB-score te verhogen, kunnen resulteren in een stijging van de huurprijs (wanneer de kosten gedragen worden door de verhuurder), met uitzondering van werken om de woning veilig en gezond te maken.
Met andere woorden, de investering die de verhuurder moet doen om de huurwoning in overeenstemming te brengen met de gezondheids- en veiligheidsnormen mag niet afgewenteld worden op de huurder.
Om de renovatie van ongezonde woningen die ook echte ‘energievreters’ zijn concreet te maken, pleiten we voor de oprichting van teams die opgeleid zijn om volledige diagnoses te stellen (ongezondheid, onveiligheid en energierenovatie). Die teams zouden samengesteld zijn uit medewerkers van Leefmilieu Brussel, Brussel Huisvesting en verenigingen.
Het is belangrijk om af te stappen van een logica die huurders afstraft en de schuld steeds bij hen legt, en over te schakelen naar een oplossingsgerichte aanpak. Die kan verschillende vormen aannemen: dringende werken, totaalrenovaties, afspraken over de huurprijzen wanneer er overheidssteun toegekend wordt om uitsluitend de energieprestatie te verbeteren, tips om beter te verluchten, enz.
Voor een gemiddeld huishouden van twee personen dat 62 m³ per jaar verbruikt, komt de recente stijging van de waterprijs in januari 2026 neer op meer dan 41 euro per jaar.
Zoals bij elk gemiddelde gaan hierachter verschillen schuil. In woningen van slechte kwaliteit ligt het verbruik over het algemeen hoger. De meest kwetsbare huishoudens die in een ongezonde woning wonen, zullen dus meer lijden onder deze prijsstijging, ook al hebben sommige van hen als rechthebbende op de verhoogde tegemoetkoming (RVT) recht op een sociale tegemoetkoming die gefinancierd wordt door het Brussels Gewest.
Als mensen met het RVT-statuut hiervoor een aanvraag indienen, hebben zij recht op een latere terugbetaling van ongeveer een derde van de waterfactuur. Deze sociale steun wordt dus niet automatisch toegekend, in tegenstelling tot het geldende systeem in Vlaanderen waar het watertarief meteen met 80% verlaagd wordt voor begunstigden van het sociaal tarief.
De financiële toestand van het Brussels Gewest mag geen reden zijn om af te zien van de automatische toekenning, die nochtans voorzien is in de Brusselse ordonnantie van 24 december 2021. Water is immers zowel een basisbehoefte die essentieel is voor de gezondheid en waardigheid van mensen, als een fundamenteel mensenrecht dat erkend wordt door de Verenigde Naties en de Europese Unie.
Volgens een zeer voorzichtige schatting zou minstens 20% van de waterprijs de consumenten niet aangerekend mogen worden via de waterfactuur[1]. De hoeveelheid afvalwater is namelijk meer dan twee keer zo groot als de hoeveelheid water die door Brusselse huishoudens verbruikt wordt.
Op grond van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot opstelling van een kader voor het waterbeleid, die stelt dat de reële kostprijs van water[2] aangerekend moet worden, zou een deel van de kosten voor de zuivering van afvalwater dus uit de factuur van de huishoudens gehaald moeten worden.
Het bestrijden van overstromingen en de inzameling en zuivering van niet-vervuild water mogen ook niet via de waterfactuur doorgerekend worden volgens het principe van ‘de vervuiler betaalt’. Om deze investeringen te financieren, pleiten we voor de toekenning van een jaarlijkse dotatie door het Brussels Gewest, dat volgens de GBV een participatie neemt in de intercommunale.
De dotatie die we voorstellen, zou gefinancierd worden via een belasting voor burgers of een heffing voor bedrijven. Als diensten van algemeen belang zouden de activiteiten van Vivaqua namelijk logischerwijs door de gemeenschap gefinancierd moeten worden, volgens ieders draagkracht.
[1] https://journals.openedition.org/brussels/7083
[2] De toepassing van de reële kostprijs van water betekent dat elke gebruiker alle kosten van het eigen waterverbruik draagt: consumenten financieren de bescherming van de waterwingebieden en de productie en distributie van drinkwater, maar ook de inzameling en zuivering van afvalwater. Volgens het principe van ‘de vervuiler betaalt’ moet de partij die vervuilt, instaan voor zowel de directe als indirecte kosten van maatregelen om door haar veroorzaakte vervuiling te voorkomen, beperken en herstellen. In theorie is de waterprijs in Brussel dus gebaseerd op deze twee principes.
Het afsluiten van de energietoevoer op grond van iemands financiële onvermogen druist in tegen de internationale normen en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. In het Belgische Energie- en Klimaatplan staat bovendien dat energie een fundamenteel recht is.
Deze afsluitingen, die zich kunnen voordoen ondanks het statuut van beschermde klant, zijn niet alleen mensonwaardig maar ook onnodig bestraffend. Dat geldt ook voor stroombegrenzers, waarvan de plaatsing in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verboden is sinds de wijzigingen van 20 april 2022 in de gas- en elektriciteitsordonnanties.
In afwachting van een verbod op het afsluiten van de energietoevoer is het van groot belang om het systeem van beschermde klant te behouden en ervoor te zorgen dat de gewaarborgde levering goed blijft werken. Beide maatregelen helpen immers te voorkomen dat mensen die structureel moeite hebben om rond te komen, zonder energie komen te vallen.
Bovendien zou een verzwakking van het huidige statuut van beschermde klant de energiemarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet aantrekkelijker maken, noch voor de consumenten, noch voor de leveranciers, aangezien de schuldvorderingen ten aanzien van ‘beschermde’ personen niet kwijtgescholden worden.
Voor waterfacturen is wettelijk bepaald dat betalingsplannen van 12 maanden aanvaard moeten worden. Aangezien gas- en elektriciteitsfacturen minstens drie keer hoger zijn dan waterfacturen, stellen we voor om energieleveranciers te verplichten tot de toekenning van een afbetalingsplan van 36 maanden als ze daarvoor een aanvraag ontvangen.
We stellen vast dat het voor consumenten en maatschappelijk werkers erg moeilijk is om met energieleveranciers tot redelijke betalingsplannen te komen. Zo’n verplichting zou alle energieleveranciers bovendien aan dezelfde regels onderwerpen.
Daarvoor dienen artikel 25sexies van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en artikel 20quater van de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gewijzigd te worden.
Op het vlak van consumentenbescherming is de bevoegdheid van de federale overheid een kaderbevoegdheid. Zij kan dus de grote principes vastleggen, terwijl de gewesten deze algemene regels kunnen aanvullen om een beleid te voeren dat afgestemd is op hun specifieke noden, op voorwaarde dat het niet in strijd is met het federale normatieve kader.
Een gewestelijke norm kan echter wel degelijk van toepassing zijn wanneer zij bijkomende kwalitatieve voorwaarden inzake consumentenbescherming biedt, zoals ook bevestigd werd door het Grondwettelijk Hof[3]. Als twee regelgevingen dezelfde kwestie behandelen, moet dus telkens de meest beschermende bepaling voor de consument toegepast worden.
Om alle onduidelijkheid weg te nemen en het aantal klachten bij de Geschillendienst van Brugel te verminderen, pleiten wij voor een wijziging van de ordonnanties inzake energie en water om de samenhang met het Wetboek van economisch recht te verduidelijken.
[3] G.H., 9 juli 2013, nr. 101/2013, B.5.
De gas- en elektriciteitsordonnanties houden geen rekening met de situatie waarin een leverancier een aanbod weigert te doen, hoewel dat in strijd is met beide ordonnanties. Dat kan ernstige gevolgen hebben, zeker voor mensen van wie de energietoevoer afgesloten wordt.
Het is daarom noodzakelijk om artikel 24sexies van de gasordonnantie en artikel 32septies van de elektriciteitsordonnantie te wijzigen.
Volgens artikel 233quinquies van de Brusselse Huisvestingscode zijn de kosten van een dagvaarding bij een uithuiszettingsprocedure ten laste van de eigenaar, ongeacht de uitkomst van het geschil, behalve wanneer de dagvaarding verplicht is omdat de verweerder niet in het bevolkingsregister ingeschreven is.
Hetzelfde principe zou moeten gelden voor geschillen rond energie en water[4]. Momenteel zijn de dagvaardingskosten (die veel hoger liggen dan de vorderingskosten) echter ten laste van de consument, waardoor de leverancier de schuld van de consument onnodig laat oplopen.
Dergelijke praktijken staan haaks op de GBV, die benadrukt dat er een efficiënt beleid gevoerd moet worden om een overmatige schuldenlast tegen te gaan.
Het is dus zaak om artikel 25octies, §2 van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en artikel 20sexies, §2 van de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te wijzigen. Er moet ook een vermelding toegevoegd worden in de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot opstelling van een kader voor het waterbeleid.
[4] Op grond van de impliciete bevoegdheden is het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gemachtigd om wetgevend op te treden over een bepaling van gerechtelijk recht, ook al valt die in principe onder de federale bevoegdheid.
In haar GBV stimuleert de regering de productie van groene energie op gewestelijk niveau, onder meer via energiegemeenschappen. Om de noodzakelijke ecologische transitie ook sociaal rechtvaardig te maken, is het belangrijk om kwetsbare groepen in aanzienlijke mate te betrekken bij de energiegemeenschappen, zodat die een echte hefboom worden tegen energiearmoede.
Daarvoor zou het Brussels Gewest zijn deelname aan energiegemeenschappen bijvoorbeeld afhankelijk kunnen maken van een gedifferentieerde tarifering op basis van het sociaal-economisch profiel van de deelnemers en de daken van openbare gebouwen ter beschikking kunnen stellen voor de installatie van zonnepanelen.



