< Terugkeer

De Brusselse sociale bescherming hervormen? Niet om het even hoe!

Bijgewerkt op: 07/09/2026

Op 10 juni 2026 keurde de raad van bestuur van BRUGEL, de Brusselse energieregulator, zijn initiatiefadvies ‘betreffende een nieuw regionaal model voor sociale bescherming’ goed.

Met dit advies wil BRUGEL naar eigen zeggen de Brusselse huishoudens enerzijds een gerichte bescherming bieden die afgestemd is op hun kwetsbaarheidssituatie, en anderzijds een dynamische markt bieden die openstaat voor nieuwe leveranciers en nieuwe concurrerende aanbiedingen.

Volgens ons schiet het voorstel van BRUGEL echter volledig tekort in het beschermen van huishoudens in een kwetsbare energiesituatie. Bestaande beschermingsmechanismen, zoals het statuut van beschermde klant met het sociaal tarief en de gewaarborgde levering, worden ter discussie gesteld en zouden plaatsmaken voor een meer bestraffend en duurder model.

Nochtans blijkt uit eerdere evaluaties dat het huidige Brusselse systeem zijn nut ruimschoots bewezen heeft.

Daarom verzetten wij ons, samen met de leden van de CGEW, resoluut tegen de voorgestelde wijzigingen.

De voorgestelde hervorming zou de bescherming van kwetsbare huishoudens verzwakken, hun energiefactuur zeer waarschijnlijk verhogen en een aanzienlijk deel van de lasten doorschuiven naar de OCMW’s. En dat zonder een degelijke onderbouwing van de aangekondigde voordelen of een globale raming van de kosten die de hervorming met zich mee zou brengen.

Het advies lag tot 4 september ter openbare raadpleging voor. Samen met Infor GazElek, het ACV, het ABVV, BV-OECO, het Steunpunt Schuldbemiddeling en IEB hebben wij officieel op deze raadpleging gereageerd.

Hieronder lichten we de voorstellen van BRUGEL toe en hoe we daarop gereageerd hebben.

De Brusselse context volgens BRUGEL

Het advies van BRUGEL is gebaseerd op twee vaststellingen:

Enerzijds kampt het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met een duidelijke sociaal-economische kwetsbaarheid. De inkomensarmoede ligt er hoger dan in de andere gewesten en voor veel huishoudens weegt energie verhoudingsgewijs zwaarder door op het huishoudbudget.

Anderzijds vindt BRUGEL de Brusselse residentiële energiemarkt niet dynamisch genoeg: het aanbod is beperkter, sommige leveranciers trekken zich terug en de prijzen voor Brusselse huishoudens zouden hoger liggen dan in Wallonië en Vlaanderen.

Op sociaal-economisch vlak benadrukt BRUGEL dat Brussel te maken heeft met grote inkomensongelijkheden, veel armoede en structurele energiearmoede. In Brussel ligt het verbruik soms lager doordat de woningen er compacter zijn, maar toch blijft de energiefactuur zwaar wegen op het inkomen. Sommige huishoudens verwarmen daarom minder of leveren in op comfort om hun uitgaven te beperken. Het advies benadrukt dan ook dat een sterke bescherming noodzakelijk blijft, maar dat die gerichter, duidelijker en betaalbaarder moet worden.

BRUGEL schuift het Vlaamse beschermingssysteem naar voren als inspiratiebron, omdat het efficiënter zou zijn. Maar dat er in Vlaanderen minder energiearmoede is, komt vooral doordat de sociale kwetsbaarheid er kleiner is. Wij betwisten dan ook dat het Vlaamse model op zich beter is.

Bovendien is niet aangetoond dat het huidige beschermingssysteem de belangrijkste oorzaak is van de hogere prijzen in Brussel. Er zouden dus reële beschermingsmaatregelen opgeofferd worden voor voordelen die vooralsnog hypothetisch zijn.

De juridische context

Het advies past ook binnen een nieuwe juridische context. BRUGEL baseert zich op arrest nr. 14/2024 van het Grondwettelijk Hof, waarin het Hof eraan herinnert dat het sociale beleid inzake energieprijzen een federale bevoegdheid is.

Volgens de interpretatie van BRUGEL kan een gewest geen sociaal prijsbeleid vastleggen en de categorieën van begunstigden van een sociaal tarief niet vrij uitbreiden. BRUGEL concludeert daaruit dat het huidige Brusselse beschermingsmodel juridisch kwetsbaar is en dat een hervorming noodzakelijk is. Het gewestelijke beleid zou daarbij weer moeten focussen op instrumenten die binnen de gewestelijke bevoegdheden vallen.

Het arrest waarnaar BRUGEL verwijst, had echter betrekking op Wallonië. De situatie in Brussel is anders, onder andere omdat de sociale kwetsbaarheid er groter is. Bovendien is het juridische debat voor het Grondwettelijk Hof nog niet afgerond[1].

Waarom het huidige systeem voor sociale bescherming tekortschiet volgens BRUGEL

Volgens BRUGEL bereikt het huidige systeem zijn doel maar deels. De procedures zouden lang aanslepen en onderling verschillen, de werkwijze varieert naargelang de leverancier en het OCMW, het systeem is onvoldoende in staat om schulden te voorkomen, en er wordt vaak pas laat ingegrepen, soms zelfs via de rechtbank.

BRUGEL merkt ook op dat heel wat huishoudens een afsluiting niet dankzij de bestaande bescherming vermijden, maar door te veranderen van leverancier. Volgens BRUGEL ondermijnt dit de samenhang van het systeem en zorgt dit ervoor dat sociale begeleiding niet vroeg genoeg opgestart wordt.

Het advies legt ook de nadruk op de maatschappelijke kostprijs van het huidige systeem. Voor 2025 wordt de rechtstreekse maatschappelijke kost van de Brusselse bescherming geraamd op ongeveer 55 miljoen euro, zo’n 15% meer dan in 2024. Daarin zitten onder meer de onbetaalde facturen, de beheerskosten, de tussenkomsten van de OCMW’s, de kosten voor de netbeheerder en de gerechtskosten. BRUGEL wijst er bovendien op dat de openstaande schulden van huishoudelijke afnemers bij energieleveranciers oplopen tot 137 miljoen euro.

Volgens BRUGEL wordt een groot deel van die kosten uiteindelijk afgewenteld op alle consumenten via de energieprijzen, of op de overheid.

Op de kostprijs van het voorgestelde nieuwe systeem komen we verderop terug.

De grote lijnen van het systeem dat BRUGEL voorstelt

Overheveling naar Sibelga tegen het DNB-tarief

Dit is de centrale gedachte van het voorgestelde systeem: heeft een huishouden meer dan 400 euro schuld en is er geen afbetalingsplan, of wordt dat plan niet nageleefd, dan zou de commerciële leverancier het contract 60 dagen na de ingebrekestelling kunnen beëindigen. Het huishouden wordt vervolgens automatisch overgeheveld naar Sibelga, de distributienetbeheerder (DNB).

Die overheveling naar Sibelga vormt de kern van het nieuwe systeem. BRUGEL schat dat jaarlijks ongeveer 23.500 huishoudens op die manier bij Sibelga zouden terechtkomen.

In het nieuwe systeem zou een huishouden dat naar Sibelga overgedragen wordt, het DNB-tarief aangerekend krijgen. Dit is het gereguleerde leveringstarief dat geldt na de beëindiging van het contract door een leverancier. Huishoudens die al recht hebben op het federale sociaal tarief zouden dat tarief wel behouden.

Wij zien verschillende problemen met die overheveling, zoals die nu voorzien is:

  • De bestaande schuld bij de commerciële leverancier verdwijnt niet bij de overheveling naar Sibelga en kan zelfs verder oplopen, onder andere door het toegepaste tarief, zoals we verderop uitleggen. Bovendien kan de oude schuld nog altijd leiden tot een procedure voor het vredegerecht.
  • Leveranciers zouden er belang bij kunnen hebben om minder snel een afbetalingsplan af te spreken of een weinig haalbaar plan voor te stellen. Zo kunnen ze klanten die ze als een risico beschouwen sneller doorschuiven naar Sibelga.
  • Uiteindelijk zouden er dus veel meer huishoudens bij Sibelga kunnen terechtkomen dan BRUGEL vandaag inschat.
  • De overheveling kan ertoe leiden dat klanten bestaande kortingen of promoties verliezen.

Het tarief dat Sibelga na de overheveling zou aanrekenen, het zogenaamde DNB-tarief, wordt voorgesteld als een tarief dat dicht bij de gemiddelde marktprijs ligt. Maar in werkelijkheid is het erg hoog. Volgens onze berekeningen:

  • is het duurder dan het variabele Easy-contract van Engie;
  • ligt het vaak dicht bij de duurste contracten op de markt;
  • is het vooral aanzienlijk duurder dan het sociaal tarief dat vandaag voor alle beschermde klanten geldt.

Het nieuwe beschermingssysteem dreigt zo een ‘armoedeval’ te worden: in plaats van bescherming te bieden, houdt het huishoudens met schulden vast in een duurder systeem. Dit staat haaks op het huidige systeem, dat net bedoeld is om huishoudens te helpen met de afbetaling van hun schulden.

Rol van het Gewest

Volgens BRUGEL zou het voorgestelde model beter aansluiten bij de bevoegdheidsverdeling. Het Gewest zou zelf geen sociaal tarief meer toekennen en zich beperken tot een gewestelijke regeling waarbij de netbeheerder en sociale begeleiding centraal staan.

Volgens BRUGEL zou het Gewest ook geen regels mogen opleggen voor afbetalingsplannen.

Daar zijn wij het niet mee eens. Volgens ons kan én moet het Gewest hier juridisch ingrijpen, aangezien het ontbreken van een afbetalingsplan mee zou bepalen of een huishouden overgeheveld wordt naar Sibelga. Zonder duidelijk kader zou de leverancier over een grote eenzijdige beslissingsmacht beschikken.

Het voorstel schaft ook de regeling voor gewaarborgde levering af. Wij verzetten ons tegen die afschaffing. Dat er vandaag weinig gebruik van gemaakt wordt, komt vooral doordat de regeling onvoldoende bekend is bij de actoren op het terrein. Het is dan ook zaak om ze beter bekend te maken, niet om ze af te schaffen. Des te meer omdat het een van de weinige beschermingsmaatregelen is die echt in overeenstemming is met het Europese recht tegen afsluiting van de energielevering.

Voorafbetaling, digitale meter en vermogensbegrenzing

Voorlopig wil BRUGEL voorafbetaling niet als belangrijkste instrument inzetten. Het model is daarentegen wel gebaseerd op de digitale meter voor elektriciteit. Door de communicatie van verbruiksgegevens te activeren, zou de factuur beter aansluiten bij het werkelijke verbruik en zouden huishoudens hun energiebudget beter kunnen opvolgen.

Wanneer een huishouden bij SIBELGA opnieuw een schuld van meer dan 400 euro opbouwt, zou bovendien een vermogensbegrenzing geactiveerd kunnen worden. Het beschikbare vermogen zou beperkt worden tot 2.200 W en “slechts een licht dalend effect op het verbruik” hebben, waardoor het volgens ons vooral een bestraffende maatregel is. Loopt de schuld op tot meer dan 600 euro zonder dat de situatie geregulariseerd wordt, dan zou het vermogen verder verlaagd kunnen worden tot 1.380 W. Dat komt neer op een “koelkast en enkele lampen” en kan er dus voor zorgen dat mensen geen elementaire huishoudelijke toestellen meer kunnen gebruiken om bijvoorbeeld te koken, de was te doen, te stofzuigen of een ventilator te gebruiken. Er zijn wel uitzonderingen voorzien, onder andere voor huishoudens die hun woning uitsluitend elektrisch verwarmen, voor huishoudens die elektrische medische apparatuur gebruiken en wanneer het OCMW van mening is dat de kwetsbare situatie van het huishouden een afwijking rechtvaardigt.

Dergelijke beperkingen van de toegang tot energie zijn niet verenigbaar met het recht op een menswaardig leven. Het zijn stigmatiserende, vernederende en ingrijpende maatregelen die specifiek mensen in een financieel kwetsbare situatie treffen. Deze huishoudens verbruiken doorgaans niet te veel energie. Integendeel, vaak besparen ze al noodgedwongen op verwarming en andere basisbehoeften.

Rol van het OCMW en invoering van lokale energiecommissies

Het OCMW zou een centrale rol krijgen binnen het systeem. Zodra een huishouden naar Sibelga overgeheveld is, wordt het OCMW daarvan op de hoogte gebracht. Ook daarna zou het regelmatig informatie krijgen over de situatie, bijvoorbeeld wanneer de schuld verder oploopt.

De hervorming schuift een zware personele, financiële en administratieve last door naar de OCMW’s, zonder duidelijke extra financiering. Bovendien verschillen de middelen waarover OCMW’s beschikken van gemeente tot gemeente. Het systeem dreigt daardoor de bestaande territoriale ongelijkheden tussen de Brusselaars nog te vergroten.

BRUGEL stelt ook voor om in elke gemeente een lokale energiecommissie op te richten. Daarin zouden minstens een vertegenwoordiger van het OCMW, een vertegenwoordiger van Sibelga en de betrokken klant zetelen. De commissie zou instaan voor een individuele opvolging en zou als enige bevoegd kunnen zijn om, indien nodig, tot een afsluiting te beslissen. Ze zou daarnaast ook begeleidende maatregelen kunnen aanbevelen.

De oprichting van deze lokale energiecommissies brengt extra kosten met zich mee, die BRUGEL niet begroot heeft.

Bovendien vinden wij het essentieel dat een beslissing tot afsluiting, gezien de ernstige gevolgen ervan voor de menselijke waardigheid, uitsluitend door een onafhankelijke en onpartijdige rechter genomen kan worden.

Uitstap uit het systeem

De levering door Sibelga zou beperkt zijn in de tijd. De ‘bescherming’ zou maximaal twee tot drie jaar duren. Daarna zou het huishouden naar de energiemarkt moeten terugkeren. Zodra de schuld volledig afbetaald is, zou het huishouden weer moeten overstappen naar een commerciële leverancier.

Maar door het hoge DNB-tarief riskeren huishoudens langdurig vast te zitten in een duurder systeem. Bovendien vragen we ons af of een automatische overheveling naar Sibelga wel verenigbaar is met de vrije keuze van energieleverancier.

Bescherming van de consument versus aantrekkelijkheid van de markt

In het advies wordt dit model voorgesteld als een compromis tussen bescherming en responsabilisering. Voor huishoudens zou het verschillende voordelen opleveren: een juridisch zekerder beschermingssysteem, snellere sociale begeleiding, minder risico op structurele schulden, duidelijkere rechten en plichten en geen mechanismen die als stigmatiserend beschouwd worden, zoals voorafbetaling.

Wij hebben ernstige twijfels bij die visie. Volwaardige sociale begeleiding door de OCMW’s is vandaag de dag verre van vanzelfsprekend: hun takenpakket is zeer uitgebreid, terwijl hun beschikbare middelen beperkt zijn. Bovendien verdwijnt het risico op schulden niet zodra Sibelga de levering overneemt, aangezien het DNB-tarief erg hoog is. En hoewel voorafbetaling niet voorgesteld wordt, bevat het systeem wel degelijk een vermogensbegrenzing, wat duidelijk een stigmatiserende maatregel is.

Voor de energiemarkt is het de bedoeling om de lasten voor leveranciers te verlichten en Brussel aantrekkelijker te maken, zodat het aanbod ruimer en mogelijk goedkoper wordt. Het advies wijst erop dat Brusselse huishoudens in maart 2026 uit veel minder aanbiedingen konden kiezen dan huishoudens in de andere gewesten. Voor een gemiddeld huishouden dat zowel gas als elektriciteit afneemt, zou de meerkost ongeveer 550 euro per jaar bedragen ten opzichte van Wallonië en 970 euro ten opzichte van Vlaanderen.

Die kijk op de markt vinden wij te simplistisch. De sociale bescherming van huishoudens is lang niet de belangrijkste reden waarom er zo weinig leveranciers aanwezig zijn in Brussel.

Bovendien zijn de aangekondigde besparingen voor Brusselse huishoudens volgens ons sterk overschat.

Wij stellen het volgende vast:

  • De prijsverschillen tussen de gewesten hangen sterk af van het contract. Men kan dus niet zomaar stellen dat alle Brusselse contracten duurder zijn dan die in de andere twee gewesten.
  • Voor sommige contracten die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest afgesloten worden, is het prijsverschil veel kleiner dan BRUGEL aangeeft.
  • De verbruikscijfers die BRUGEL als uitgangspunt neemt, zijn niet representatief voor het gemiddelde Brusselse energieverbruik. Daardoor lijkt de verwachte winst van de hervorming groter dan ze in werkelijkheid zou zijn.
  • Zelfs als de hervorming het aantal onbetaalde facturen zou terugdringen, zou de potentiële winst voor leveranciers maar zo’n 60 à 70 euro per huishouden bedragen. Dat is veel minder dan de bedragen die BRUGEL naar voren schuift. De kans is klein dat leveranciers alleen daarom plots veel goedkopere contracten zullen aanbieden.

Het is niet aangetoond dat de hervorming van het sociale beschermingsmodel zoals BRUGEL die voorstelt, zal leiden tot minder onbetaalde facturen en veel goedkopere energiecontracten. Wij vragen dan ook meer transparantie over de methodologie waarmee BRUGEL tot die conclusie komt.

Ook het belang van een groter en diverser commercieel aanbod moet volgens ons gerelativeerd worden. Veel consumenten, en vooral huishoudens in een kwetsbare situatie, kiezen niet voor het goedkoopste contract en weten vaak niet goed welk energieproduct ze hebben. Meer aanbiedingen op de markt betekenen dus niet automatisch een lagere energiefactuur.

Erkende beperkingen van het voorstel

BRUGEL ziet zelf al in dat het voorstel verschillende zwakke punten en onzekerheden bevat.

Het model biedt geen antwoord op een aantal complexe situaties: huishoudens zonder wettig verblijf, leveringspunten die door meerdere woningen gedeeld worden, afzonderlijke contracten voor gas en elektriciteit en het feit dat er voor gas geen slimme meters uitgerold worden.

BRUGEL wijst er ten slotte op dat sommige organisaties op het terrein bedenkingen hebben bij het voorstel. Ook erkent de regulator dat de OCMW’s voor de uitvoering bijkomende middelen nodig zouden hebben, of dat bestaande middelen anders ingezet zouden moeten worden.

Opvallend is bovendien dat BRUGEL wel kritiek heeft op de kostprijs van het huidige systeem, maar niet berekent wat het nieuwe systeem de samenleving in totaal zou kosten. De volgende kosten worden niet in echt in rekening gebracht:

  • de extra financiering die de OCMW’s nodig zullen hebben;
  • de kosten voor de werking van de lokale commissies die bepaalde beslissingen moeten nemen;
  • de kosten voor de energiebevoorrading die de DNB zou moeten dragen;
  • het risico op meer onbetaalde facturen als huishoudens een hoger tarief moeten betalen.

Conclusie

Het advies van BRUGEL is nog geen definitieve regelgeving, maar een document dat de richting van een mogelijke hervorming aangeeft en ter raadpleging voorgelegd werd. Het bevat een aantal becijferde hypotheses en parameters waarover nog discussie mogelijk is en die volgens BRUGEL zelf nog aangepast kunnen worden. Om het voorstel daadwerkelijk uit te voeren, moeten er dus nog concrete wetgevende en operationele keuzes gemaakt worden.

Toch betwisten wij nu al de algemene logica achter het voorstel. De hervorming wordt verantwoord vanuit de ambitie om de energiemarkt competitiever te maken en de prijzen te doen dalen. Als het echt zo eenvoudig is om de energieprijzen naar beneden te krijgen, dan horen wij graag hoe.

Volgens ons is het tegenovergestelde echter waar. De hervorming steunt op wankele hypotheses en belooft prijsvoordelen die weinig geloofwaardig zijn. Tegelijk dreigen huishoudens in een kwetsbare situatie strengere maatregelen opgelegd te krijgen, meer te moeten betalen en nog sterker gestigmatiseerd te worden, zonder dat hun energieschulden daarmee weggewerkt worden.

Onze boodschap is duidelijk: het voorgestelde model versterkt de sociale bescherming niet, maar verzwakt ze. De kosten worden ondertussen doorgeschoven naar de OCMW’s en uiteindelijk naar de hele samenleving. Die kosten zijn bovendien onvoldoende in kaart gebracht en ook de manier waarop dit initiatiefadvies tot stand gekomen is, vinden wij weinig transparant.

Wij zullen onze argumenten tegen deze zogenaamde ‘sociale bescherming’ dan ook blijven verdedigen.

[1] Momenteel is er bij het Grondwettelijk Hof een zaak aanhangig over de sociale bescherming in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zie www.socialenergie.be/nl/de-redding-van-het-statuut-van-beschermde-klant-de-eerste-ronde-is-gewonnen/