Opgeroepen worden voor het vredegerecht
Bijgewerkt op: 27/07/2026
Het vredegerecht is een burgerlijke rechtbank die onder meer geschillen behandelt over familiale zaken, burenconflicten, huisvesting, enz. Het is ook bevoegd voor geschillen inzake energie en water.
Voor energiezaken geldt dat als het geschil geen verband houdt met de ‘openbare dienstverplichtingen’ voor de levering van gas, elektriciteit of water, zoals vastgelegd in de ordonnanties, of met de invordering van energiefacturen, dan is de vrederechter alleen bevoegd wanneer het bedrag van het geschil minder dan 5.000 euro is.
De consument kan via een dagvaarding of verzoekschrift opgeroepen worden voor het vredegerecht in de volgende gevallen:
- een conflict tussen de eigenaar en de huurder over energiekosten (discussies over provisies, forfaits, kostenafrekeningen, enz.) of over de staat van de woning;
- de terugvordering van een energieschuld door de leverancier, ongeacht het bedrag van de schuld;
- een verzoek van de leverancier tot ontbinding van het contract (afsluiting), op voorwaarde dat de leverancier vooraf de voorgeschreven procedure gevolgd heeft.
1. Oproeping
De gebruiker kan op twee manieren opgeroepen worden voor de rechtbank:
- Via een verzoekschrift
Deze wijze van inleiding is vrij goedkoop en wordt aangemoedigd door de ordonnanties betreffende de organisatie van de gas- en elektriciteitsmarkt, maar is niet verplicht. Het verzoekschrift is een document dat door de eiser neergelegd of verstuurd wordt naar de griffie van het vredegerecht. In dit document moet duidelijk vermeld staan welke veroordeling gevraagd wordt. Daarna roept de griffier de verweerder op per aangetekende brief.
- Via een dagvaarding
Dit is de klassieke manier om een gerechtelijke procedure op te starten, ongeacht de materie. Een dagvaarding wordt daarom vaak gebruikt, maar het is ook de duurste procedure. Een dagvaarding is een officieel document dat door een gerechtsdeurwaarder bezorgd wordt aan de gebruiker die voor de rechter moet verschijnen.
2. Het vonnis
Soorten vonnissen
- Verstekvonnis
Als de gebruiker niet verschijnt op de zitting, spreekt de vrederechter een verstekvonnis uit. Zo’n vonnis is nooit in het voordeel van de betrokkene. De rechter baseert zich dan op de dagvaarding of het verzoekschrift en volgt meestal de vraag van de eiser (behalve wanneer die strijdig is met de openbare orde): beëindiging van het contract en/of betaling van de schuld, zonder afbetalingsplan.
- Vonnis op tegenspraak
De opgeroepen persoon kan zelf verschijnen of vertegenwoordigd worden door een echtgenoot, familielid of aanverwant met een volmacht, of door een advocaat. Wanneer de persoon aanwezig is of vertegenwoordigd wordt, spreekt men van een vonnis op tegenspraak. De vrederechter hoort beide partijen. Wanneer de zaak gepleit wordt, neemt de rechter de zaak in beraad en volgt normaal binnen een maand een vonnis. Dat wordt meestal ongeveer een week na de pleitzitting per post verstuurd. Elk vonnis moet gemotiveerd zijn. Als de gebruiker aanwezig is, krijgt die de kans om de situatie uit te leggen en houdt de vrederechter daar rekening mee. De rechter kan de schuld echter niet kwijtschelden. Als de schuld niet betwistbaar is, zal de rechter de leverancier gelijk moeten geven. De rechter kan wel beslissen over de manier waarop de schuld betaald moet worden:
-
- door een afbetalingsplan toe te kennen: meestal aanvaardt de vrederechter het bedrag dat door het huishouden voorgesteld wordt, zelfs wanneer het om kleine bedragen gaat (20 à 25 euro per maand);
- door uitstel of een verwijzing naar de rol toe te kennen, zodat de persoon extra tijd krijgt om de situatie te regelen;
- door een vermindering van de gerechtskosten toe te staan;
- door de herinnerings- en ingebrekestellingskosten te schrappen, waarvan de bedragen geplafonneerd zijn door de gas-, elektriciteits- en waterordonnanties en door het Wetboek van economisch recht.
Inhoud van het vonnis
Het kan nuttig zijn om onze databank met rechtspraak te raadplegen om te zien welke beslissingen rechters eerder al namen in gelijkaardige dossiers. Het blijft echter moeilijk om een nauwkeurige inschatting te maken van de slaagkansen of de risico’s op mislukking van een gerechtelijke procedure.
Wanneer de leverancier enkel de betaling van zijn schuldvordering vraagt:
- De vervalclausule
De vaakst voorkomende beslissing is dat de gebruiker veroordeeld wordt tot betaling van de hoofdsom, gekoppeld aan een afbetalingsplan met vervalclausule.
Deze vervalclausule maakt het resterende bedrag onmiddellijk opeisbaar zonder ingebrekestelling wanneer een vervaldag van het afbetalingsplan niet nageleefd wordt. Dit betekent dat de leverancier bij niet-betaling van één aflossing het volledige verschuldigde bedrag in één keer kan opeisen en indien nodig een gerechtsdeurwaarder kan inschakelen. - Verwijzing naar de rol
Een andere mogelijke beslissing is dat de gebruiker de hoofdsom moet betalen via een afbetalingsplan, met verwijzing naar de rol. Daarmee kan gecontroleerd worden of de afbetalingen correct nageleefd worden.
Deze beslissing is interessant, omdat een verwijzing naar de rol betekent dat de leverancier een nieuwe zitting moet aanvragen als hij de procedure wil voortzetten. Als de gebruiker de schuld na de eerste zitting volledig terugbetaalt, zal de leverancier meestal niet opnieuw naar de rechter stappen en worden de gerechtskosten doorgaans niet doorgerekend aan de gebruiker.
Wanneer de leverancier zowel de ontbinding van het contract als de betaling van zijn schuldvordering vraagt, kan de vrederechter:
- beslissen om het contract onmiddellijk te beëindigen en tegelijk een afbetalingsplan toe te kennen voor de terugbetaling van de hoofdsom;
- een afbetalingsplan toekennen voor de terugbetaling van de hoofdsom en bepalen dat het contract behouden blijft zolang de gebruiker het plan naleeft. Als de gebruiker het afbetalingsplan niet respecteert, mag de leverancier het contract beëindigen zonder opnieuw naar de rechter te stappen;
- een afbetalingsplan toekennen voor de terugbetaling van de hoofdsom en de vraag tot ontbinding naar de rol verwijzen.
Deze laatste beslissing is het gunstigst voor de gebruiker. De leverancier moet dan opnieuw naar de rechter stappen om het contract te laten beëindigen als het afbetalingsplan niet nageleefd wordt. Houdt de gebruiker zich wel aan het plan, dan vermijdt die zowel de beëindiging van het contract als de gerechtskosten.
3. Uitvoering van het vonnis
Wanneer het vonnis uitgesproken is, wordt het eerst door de griffie aan de partijen meegedeeld.
Op verzoek van de leverancier of van Sibelga wordt het vervolgens betekend aan de gebruiker. De betekening van het vonnis is de officiële kennisgeving ervan via een gerechtsdeurwaardersexploot. Die betekening brengt extra kosten mee voor de verliezende partij.
Extra kosten vermijden
Als de veroordeelde persoon het vonnis aanvaardt, kan die extra kosten vermijden door aan de advocaat van de tegenpartij voor te stellen om het verschuldigde bedrag te betalen vóór de betekening door de gerechtsdeurwaarder.
We spreken hier over beroep of verzet aantekenen tegen een vonnis van de vrederechter, naargelang de situatie waarin de gebruiker zich bevindt.
Wanneer iemand voor de vrederechter wordt gedaagd voor een veroordeling tot betaling van een schuld – en, in voorkomend geval, een afsluiting – , en wanneer hij of zij niet op de zitting aanwezig is, zal hij of zij “bij verstek” worden veroordeeld.
Voor de hervorming van het Gerechtelijk Wetboek die op 3 augustus 2017 in werking trad (Potpourri V)[1], konden personen die bij verstek werden veroordeeld en die de veroordeling betwistten, ervoor kiezen om verzet aan te tekenen of in beroep te gaan.
Toen deze dubbele aanleg nog bestond, werd aanbevolen om eerst verzet aan te tekenen, omdat de zaak dan terug voor dezelfde rechter kwam, in dit geval dus de vrederechter, die een “lokale” rechter is. Als de betrokkene niet tevreden was met het nieuwe vonnis van het aangetekende verzet, kon hij of zij – in een tweede fase – beroep aantekenen bij een hogere rechtbank, met name de Rechtbank van Eerste Aanleg. Tegenwoordig bestaat deze dubbele mogelijkheid niet meer.
Sinds 3 augustus 2017 is verzet aantekenen enkel nog mogelijk in gevallen waarin de wet het indienen van een beroep uitsluit. Met andere woorden: alleen wanneer beroep niet mogelijk is, kan er verzet worden aangetekend. Deze beperking resulteert in een drastische vermindering van de gevallen waarin verzet aantekenen mogelijk is.
Concreet kan er geen beroep worden aangetekend tegen een vonnis van een vrederechter wanneer het bedrag van het geschil lager is dan € 2.000[2]: enkel in dit geval kan iemand die bij verstek werd veroordeeld dus verzet aantekenen bij de vrederechter.
Bovendien is beroep ook mogelijk wanneer de waarde van het geschil onbepaald is[3] (bijv. wanneer de gebruiker een verzoek indient om zijn vermogensbegrenzer te laten verwijderen), en bijgevolg kan in dergelijke gevallen nooit verzet worden aangetekend.
Kort samengevat
Beroep: Er kan tegen een vonnis van een vrederechter, op tegenspraak of bij verstek, enkel beroep worden aangetekend wanneer het geschil betrekking heeft op een vordering waarvan het bedrag hoger is dan € 2.000.
Verzet: Het is mogelijk om verzet aan te tekenen tegen een vonnis bij verstek van de vrederechter en enkel wanneer het betrekking heeft op een vordering waarvan het bedrag lager is dan of gelijk is aan € 2.000 (d.w.z. een vonnis “in laatste aanleg”, waartegen dus niet meer in beroep kan worden gegaan).
Zo is er dus geen aanleg meer mogelijk in het geval van vonnissen van de vrederechter, uitgesproken in aanwezigheid van de leverancier en de gebruiker, die betrekking hebben op een energie- of waterschuld waarvan het bedrag lager is dan € 2.000. Dat kan dus bijzonder problematisch zijn wanneer de jurisprudentie van de vrederechter waarvan men afhangt (de bevoegde vrederechter is die van de woonplaats van de schuldenaar) ongunstig is voor kansarme personen (bijv. wisselvallige kennis van de toepasselijke ordonnanties en sociale maatregelen inzake energie en water; toekenning van afbetalingsplannen die moeilijk kunnen worden nageleefd door de gebruiker, …).
Termijnen om beroep of verzet aan te tekenen
In zaken die betrekking hebben op energie moeten zowel beroep[4] als verzet[5] worden aangetekend binnen een gebruikelijke termijn van één maand na de betekening van het betwiste vonnis.
Het feit dat er verzet of beroep wordt aangetekend tegen een vonnis bij verstek, heeft een opschortend effect dat is voorzien in het Gerechtelijk Wetboek: met andere woorden, elke aanleg tegen een vonnis bij verstek schort de uitvoering van het vonnis op (invordering van een schuld of afsluiting bijvoorbeeld), en dit gedurende de volledige duur van de procedure[6], tenzij het vonnis reeds werd uitgevoerd voordat er verzet of beroep werd aangetekend (toepassing van het principe van “voorlopige tenuitvoerlegging” dat hieronder wordt uitgelegd).
Een beroep dat wordt ingediend tegen een vonnis op tegenspraak – d.w.z. wanneer zowel de leverancier als de gebruiker aanwezig waren bij de vrederechter – schort de gedwongen uitvoering van het betwiste vonnis echter niet op en kan dus niet voorkomen dat de genomen beslissing – waaronder de afsluiting – ondanks het beroep toch wordt uitgevoerd.
De vrederechter bij wie het verzet aanhangig wordt gemaakt, of de Rechtbank van Eerste Aanleg waar het beroep aanhangig wordt gemaakt, zullen de situatie volledig opnieuw beoordelen en hebben een ruime beoordelingsbevoegdheid.
Het principe van de “voorlopige tenuitvoerlegging” of de “uitvoering bij voorraad” van vonnissen?
De voorlopige tenuitvoerlegging of uitvoering bij voorraad laat toe om een vonnis uit te voeren terwijl de aanlegtermijn tegen dit vonnis nog niet is verstreken. De voorlopige tenuitvoerlegging laat bovendien toen om het vonnis zelfs uit te voeren wanneer er beroep of verzet is aangetekend, zolang de instantie waar deze aanleg wordt behandeld, geen uitspraak heeft gedaan.
Voordat de wet “Potpourri I” op 1 november 2015 van kracht werd, konden gerechtelijke beslissingen inzake schulden/afsluitingen niet bij voorraad worden uitgevoerd, tenzij de rechter dit specifiek in zijn vonnis had toegelaten, wat een gangbare praktijk was.
Met de zogenaamde Potpourri I-wet[7] van 19 oktober 2015 werd dit principe omgekeerd: de voorlopige tenuitvoerlegging van vonnissen aangaande schulden/afsluitingen werd veralgemeend, en dit ondanks het mogelijke beroep of verzet dat ertegen werd ingediend en dat ze nietig kon maken.
Sindsdien en op dit moment zijn alle vonnissen dus uitvoering bij voorraad, behalve als de rechter, ambtshalve of op verzoek van een van de partijen hierover anders beslist door middel van een speciaal daartoe gemotiveerde beslissing[8].
Hoe wordt het bedrag van de vordering berekend?
Om te weten welke rechter bevoegd is en/of er beroep kan worden aangetekend tegen de beslissing, moet geregeld worden gekeken naar het bedrag van de vordering.
Hoe weet je over welk bedrag het precies gaat? Gaat het om het bedrag dat de verliezende partij aan de andere moet betalen krachtens het vonnis dat werd uitgesproken? Gaat het om het bedrag dat de eisende partij eist in haar verzoekschrift of dagvaarding?
Om te bepalen welke rechter bevoegd is, wordt over het algemeen gekeken naar het bedrag dat in het verzoekschrift of de dagvaarding wordt geëist.
Artikel 557 van het Gerechtelijk Wetboek
“Wanneer het bedrag van de vordering de volstrekte bevoegdheid bepaalt, wordt er onder verstaan de som die in de inleidende akte wordt geëist, met uitsluiting van de gerechtelijke interest en van alle gerechtskosten, (alsook van de dwangsommen.)”
Het bedrag van de vordering kan variëren in de loop van de procedure, bijvoorbeeld na verzwaring van de geleden schade of vordering op nieuwe facturen; er moet dus worden uitgegaan van het bedrag dat wordt vermeld in de laatste conclusies[9].
Wat betreft de vraag of er beroep dan wel verzet moet worden aangetekend, wordt dezelfde regel gehanteerd, behalve als de vordering in de loop van het geding werd gewijzigd.
Artikel 618 van het Gerechtelijk Wetboek
“De regels gesteld bij de artikelen 557 tot 562 gelden voor het bepalen van de aanleg.
Indien de vordering in de loop van het geding gewijzigd is, wordt de aanleg bepaald door de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd.“
[1] Zie Wet van 6 juli 2017, “Potpourri V” genaamd, houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie, B.S., 24 juli 2017.
[2] Art. 617 van het Gerechtelijk Wetboek: “De vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg en van de rechtbank van koophandel, waarbij uitspraak wordt gedaan over een vordering waarvan het bedrag [2.500 euro] niet overschrijdt, worden gewezen in laatste aanleg. Hetzelfde geldt voor de vonnissen waarbij de vrederechter en, inzake de geschillen bedoeld in artikel 601bis, de politierechtbank uitspraak doet over een vordering waarvan het bedrag 2.000 euro niet overschrijdt. ”
[3] Art. 619 van het Gerechtelijk Wetboek
[4] Art. 57 en 1051, al. 1 van het Gerechtelijk Wetboek
[5] Art. 57 en 1048 van het Gerechtelijk Wetboek
[6] Art. 1397 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek
[7] De wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, B.S., 22 oktober 2015, in het bijzonder art. 41 en 42.




