< Terugkeer

Het sociaal tarief, essentieel in de strijd tegen energiearmoede

Bijgewerkt op: 15/04/2026

Pleidooi ter verdediging en uitbreiding van de toegang tot het sociaal energietarief

Het sociaal tarief, een essentieel instrument in de strijd tegen energiearmoede, zal volgens het regeerakkoord van de Arizona-coalitie ontmanteld worden.

Concreet schrijft de federale regering: “We bekijken de budgetneutrale hervorming van het sociaal energietarief en de tussenkomsten van het Sociaal Verwarmingsfonds richting een transparantere, inkomengebaseerde, vermogensgebaseerde en technologieneutrale forfaitaire tussenkomst. Daarbij waken we erover dat we geen ongewenste neveneffecten creëren wat betreft het onderscheid werken – niet werken. Om de hoogte van de energiefactuur van deze groep structureel aan te pakken door hen te helpen energie te besparen, onderzoeken we samenwerkingsmogelijkheden met de Gewesten binnen ieders bevoegdheid[1].”

Aangezien het sociaal tarief mogelijk ontmanteld wordt, is het belangrijk om te duiden hoe het werkt en waarom het essentieel is voor de menselijke waardigheid, maar ook om de argumenten van degenen die het willen afschaffen te weerleggen en te ontkrachten.

1.    Hoe zou een vervanging van het sociaal tarief door energiekredieten leiden tot een verarming van huishoudens?

Het sociaal tarief is een essentieel instrument in de strijd tegen energiearmoede. In de huidige vorm beschermt het ongeveer een miljoen huishoudens tegen plotse stijgingen van de energieprijzen, die tot schulden en bestaansonzekerheid kunnen leiden. Verschillende recente studies, zoals die van de Nationale Bank van België gepubliceerd in 2022[2], hebben de grote doeltreffendheid ervan tijdens de prijscrisis aangetoond.

In een andere studie, die het Belgische beschermingssysteem vergelijkt met dat van vier buurlanden (Duitsland, Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk), concludeert het Forum van Belgische energieregulatoren (FORBEG)[3] dat het sociaal tarief in België de beste bescherming biedt voor kwetsbare klanten. Dat is ook de mening van vele leden van het federaal parlement, zowel in de meerderheid als in de oppositie (zie de kadertekst hieronder).

Dit is te danken aan het mechanisme erachter: het sociaal tarief is een gereguleerd tarief en daardoor het voordeligste op de markt, en geldt automatisch voor het volledige verbruik van de betrokken huishoudens. Door de onmiddellijke vermindering van de kosten, evenredig met het energieverbruik, biedt dit systeem een dekking die voldoet aan de beginselen van billijkheid en doeltreffendheid. Daarnaast biedt het stabiliteit tegen schommelende energieprijzen, en dus vooral tegen prijsstijgingen.

Zoals ook bevestigd wordt door de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (CREG)[4], is het sociaal tarief dankzij deze kenmerken een instrument dat voldoet aan de Europese verplichtingen, zoals vastgesteld in de energierichtlijnen, met name Richtlijn 2019/944 die benadrukt hoe belangrijk het is om kwetsbare consumenten te beschermen en toegang tot betaalbare energie te garanderen.

Studies uitgevoerd door de KU Leuven[5] en de UGent[6] hebben ook aangetoond dat sociale tarieven zeer doeltreffend zijn om het koopkrachtverlies van de meeste huishoudens in de eerste twee inkomensdecielen te compenseren, en dat ze het verbruik van deze gezinnen sterk ondersteunen.

Enkele citaten uit de parlementaire debatten van 24 april 2025 in de Kamer[7]:

Christophe Bombled (MR): “Het sociaal tarief is een fundamenteel instrument. Het garandeert eerlijke toegang tot energie, vooral voor de meest kwetsbare huishoudens. Dit is des te belangrijker in een context van sterke volatiliteit van de energieprijzen.”[8]

Nahima Lanjri (CD&V): “Het sociaal tarief voor energie is de voorbije jaren, zeker tijdens de voorbije energiecrisis, een doeltreffend instrument gebleken in de strijd tegen energiearmoede. We mogen in ons land dus terecht trots zijn op dit systeem dat mensen beschermt die het moeilijk hebben. […] Belangrijk voor ons is dat er ook een specifieke modulering komt op basis van de grootte van het gezin.”

Marie Meunier (PS): “[…] absoluut alle studies zijn het erover eens: het sociaal tarief is een essentieel instrument in de strijd tegen energiearmoede. Het beschermt honderdduizenden Belgische huishoudens die hun woning anders niet zouden kunnen verwarmen.”[9]

 Roberto D’Amico (PVDA-PTB): “Tijdens de energiecrisis heeft het uitgebreide sociaal tarief veel gezinnen geholpen en de schade beperkt.”[10]

 Tinne Van der Straeten (Ecolo-Groen): “Zoals mevrouw Lanjri heeft gezegd, hebben we een doeltreffend instrument, namelijk het sociaal tarief.”

Ondanks de herhaaldelijk aangehaalde doeltreffendheid wil het federaal regeerakkoord dit instrument toch vervangen door een forfaitaire premie/energiecheque, een beduidend minder doeltreffend instrument (zie onderstaande tabel). Deze vervanging zou immers het niet-gebruik (non-take-up) van rechten in de hand werken, en dat terwijl de regering – bij monde van de minister belast met Armoedebestrijding, Frank Vandenbroucke – in haar beleidsnota juist stelt: “De non take-up van de sociale rechten vormt een ernstige tekortkoming in ons systeem van sociale bescherming[11].”

Het niet-gebruik van sociale rechten ligt in België inderdaad bijzonder hoog. Als we kijken naar het leefloon voor mensen in de werkende leeftijd, bedraagt het niet-gebruik 37% à 51% (gemiddeld 43% à 46%, inclusief foutmarge). Bij de inkomensgarantie voor ouderen (IGO) ligt dit percentage zelfs nog hoger, namelijk tussen 42% en 59%. Zelfs bij de verhoogde tegemoetkoming (het vroegere RVT-statuut) wordt een niet-gebruik van 39% tot 52% vastgesteld[12].

Het sociaal tarief in zijn huidige vorm is daarentegen bijzonder doeltreffend vanwege de automatisering van meer dan 90% van de toekenning aan rechthebbenden[13].

De CREG laat zich ook zeer kritisch uit over de energiecheque, omdat die geen directe koppeling garandeert tussen de toegewezen tegemoetkoming en de evolutie van de markt, in tegenstelling tot het huidige systeem[14]. Volgens de CREG zou een systeem van premies in combinatie met het goedkoopste contract ook leiden tot een ongelijke behandeling van consumenten in vergelijkbare situaties, omdat de voordelen afhankelijk zouden zijn van hun specifieke leverancier en de geldende nettarieven in hun regio.

De CREG heeft deze kritiek opnieuw geuit en verder uitgewerkt in haar advies van januari 2025[15], waar ook de Ombudsdienst voor Energie zich achter schaart[16]. In dit advies benadrukt de CREG dat overstappen naar een premiesysteem zou leiden tot minder bescherming van de rechthebbenden van het sociaal tarief. Dit zou indruisen tegen de verplichting van standstill opgelegd door het Grondwettelijk Hof[17].

Het geplande premiesysteem zou de dekking van het energieverbruik dan ook kunnen beperken, aangezien het premiebedrag niet evenredig zou zijn met het verbruikte volume. Deze loskoppeling zou het vermogen van huishoudens om zich te beschermen tegen schommelingen van de energieprijzen kunnen verzwakken, een bescherming die momenteel geboden wordt door het sociaal tarief dat toegepast wordt op alle verbruik, of hen ertoe kunnen dwingen om hun energiebehoeften te beperken.

Bovendien voegt de CREG toe dat de overstap naar een premiesysteem de creatie ex nihilo zou vereisen van een mechanisme voor toekenning en berekening van deze premies. Dit zou kosten meebrengen voor de overheid die onmogelijk geraamd kunnen worden.

Tot slot wijzen we op de kritische evaluatie van de recentste federale premies van 2022-2023[18] door de Federale Ombudsdienst, die stelt dat deze premies in veel gevallen hun doel gemist hebben[19].

Samenvatting van de voordelen van het sociaal tarief ten opzichte van de energiecheque

Sociaal tarief Energiecheque
Geldt voor het hele energieverbruik van het huishouden en houdt zodoende rekening met de energiebehoeften. Komt overeen met een vast bedrag en houdt geen rekening met het verbruik of de energiebehoeften van het huishouden.
Huishoudens die een woning met lage energieprestaties betrekken, worden niet benadeeld. Kan snel opgebruikt zijn door een hoog verbruik dat te wijten is aan de lage energieprestaties van de woning.
Wordt automatisch toegepast, waardoor het risico op niet-gebruik ingeperkt wordt. Houdt een risico op niet-gebruik in, waarbij huishoudens er geen gebruik van maken (complexe procedure, verlies, vergeten …[20]). Bovendien is er een hoog risico op late uitbetaling van de energiecheque (bij gebruikmaking van dit recht). Dit kan dramatische gevolgen hebben voor huishoudens, zoals een mentaal overweldigende schuldenlast en zelfs afsluiting van de energietoevoer[21].
Is altijd het laagste tarief op de markt en garandeert een netto besparing voor huishoudens ten opzichte van de marktprijzen. Garandeert niet dat het huishouden gekozen heeft voor een gunstig commercieel tarief en gaat ervan uit dat de begunstigden in staat zijn om zelf een voordelig tarief te vinden op de energiemarkt[22].
Rechtstreeks van toepassing op alle facturen en bij alle leveranciers. Kan slechts eenmaal gebruikt worden.
De bijbehorende beschermingen worden onmiddellijk geactiveerd door alle leveranciers (zowel aardgas als elektriciteit, en ook wanneer een leverancier de vorige opvolgt). De bijbehorende beschermingen moeten door de begunstigde zelf individueel geactiveerd worden bij elke leverancier.
Wordt vastgelegd door de federale regulator en geldt voor alle energieleveranciers. De leveranciers bieden niet dezelfde contracten aan in alle regio’s. De regionale distributietarieven verschillen ook. Daarom zou een identieke premie een verschillende impact hebben op de energiefactuur naargelang de regio waar men woont, wat ongelijkheid tussen de burgers creëert.
Wordt vastgelegd door de federale regulator en het bedrag is dus in principe beschermd tegen begrotingswijzigingen of politieke hervormingen. Het bedrag zou gemakkelijker verlaagd kunnen worden in geval van budgettaire beperkingen of een beleidswijziging[23].

 

2.    Ligt het verbruik bij huishoudens met een sociaal tarief hoger dan bij andere huishoudens?

Het idee dat mensen die het sociaal tarief genieten geen oog zouden hebben voor hun energieverbruik is onjuist, zoals de CREG bevestigt in haar advies van 16 maart 2023 over de mogelijkheden tot hervorming van het sociaal tarief. Daarin staat te lezen: “Uit de schuldvorderingen ‘beschermde klanten’ van de twee belangrijkste energieleveranciers (samen goed voor meer dan 60 % van de beschermde klanten), ingediend van 2018 tot 2022, blijkt dat de gemiddelde verbruiksprofielen 2.600 kWh/jaar zijn voor elektriciteit en 12.600 kWh/jaar voor aardgas[24].“ Ter vergelijking: de gemiddelde verbruiksprofielen voor klassieke huishoudens (die het sociaal tarief niet genieten) bedragen 3.500 kWh/jaar voor elektriciteit en 17.000 kWh/jaar voor aardgas.

Deze objectieve gegevens weerleggen dus het idee dat het ontbreken van een prijssignaal bij de begunstigden van het sociaal tarief zou leiden tot overconsumptie. We zien juist een lager verbruik, en dat ondanks een vaak minder energie-efficiënte woning.

Dit lage verbruik is grotendeels te wijten aan reële economische beperkingen. De ontbering is soms zo groot dat er sprake is van ‘verborgen energiearmoede’. Dit fenomeen verwijst naar situaties waarin de energiekosten als abnormaal laag beschouwd worden in vergelijking met een vergelijkbaar huishouden (aantal personen, aantal kamers …). Volgens de laatste cijfers van de Barometer energiearmoede gepubliceerd door de Koning Boudewijnstichting[25] had 6,2% van de Belgische huishoudens een abnormaal lage energiefactuur in vergelijking met die van vergelijkbare huishoudens. Dit percentage bedroeg 5,5% in Vlaanderen, 15,9% in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest[26] en 4,1% in Wallonië.

Het feit dat het gemiddelde verbruik van huishoudens die het sociaal tarief genieten lager ligt dan dat van de gemiddelde profielen weerlegt ook de bewering van sommigen dat het sociaal tarief een subsidie op fossiele energie zou vormen. Het sociaal tarief is vooral een instrument voor sociale rechtvaardigheid dat kwetsbare huishoudens helpt om in hun basisbehoeften te voorzien op het vlak van toegang tot energie (verwarming, verlichting, koken), zonder daarbij overmatig gebruik van fossiele energie in de hand te werken.

In werkelijkheid is het de invoering van een systeem van premies die juist zou resulteren in een subsidie van fossiele energie, aangezien dergelijke premies toegekend worden op commerciële contracten, soms de duurste. Wanneer een premie toegekend wordt op een contract tussen leverancier en consument blijft dat contract de basisprijs bepalen. Voor veel mensen is deze basisprijs echter hoger dan het sociaal tarief, dat strikt gereguleerd wordt door de CREG[27].

Tot slot dient opgemerkt te worden dat het energieverbruik veel sterker afhangt van de grootte en de toestand van de woning dan van het gedrag van de bewoners. Zo veroorzaakt een slecht geïsoleerd dak ongeveer 30% energieverlies[28], terwijl een gemiddeld huis ongeveer 15% van zijn warmte verliest door slecht geïsoleerde deuren en ramen [29].

3.    Komt het huidige systeem van het sociaal tarief huishoudens met een hoog inkomen ten goede?

Een ander vaak gehoord argument voor de afschaffing van het sociaal tarief is dat ook mensen met een relatief hoog inkomen, die het dus niet nodig hebben, ervan profiteren. Dit argument wordt echter nooit gestaafd met concrete cijfers.

De mensen die met de vinger gewezen worden door critici van het sociaal tarief, waaronder ook politici, zijn vaak mensen die een tegemoetkoming ontvangen voor een handicap. Zij genieten automatisch ook het sociaal tarief. Het klopt inderdaad dat het sociaal tarief momenteel toegekend wordt op basis van het sociaal statuut en niet op basis van het inkomensniveau. De statuten die recht geven op het sociaal tarief omvatten bijvoorbeeld begunstigden van de tegemoetkoming voor gehandicapten, het leefloon of de inkomensgarantie voor ouderen (IGO)[30].

Wij delen de mening dat het sociaal tarief ook op basis van het inkomensniveau toegekend zou moeten worden, maar we pleiten daarnaast voor het behoud van de huidige sociale statuten, en wel om vier redenen.

Ten eerste heeft het huidige systeem het voordeel dat het automatisch toegepast kan worden (wat het niet-gebruik van sociale rechten drastisch vermindert) op eenvoudig af te bakenen categorieën van huishoudens die voor het overgrote deel in armoede verkeren. Over het algemeen wordt een bijstandsuitkering[31], ook wel ‘niet-contributieve’ uitkering genoemd, toegekend wanneer het inkomen van het huishouden laag is.

Zoals de FOD Economie aangeeft, wordt het gezinsinkomen altijd in overweging genomen, behalve bij de toekenning van het sociaal tarief op basis van een aanvullende uitkering of een zorgtoelage voor kinderen met een handicap met een minimale score van vier punten in de eerste pijler van de medisch-sociale schaal.

Voor een kind met een handicap in deze categorie geldt het recht op het sociaal tarief ongeacht het inkomen van de ouders (wetende dat zij meer zorguitgaven hebben en hun inkomensgenererende activiteiten vaak moeten terugschroeven om voor hun kind te zorgen). Voor alle andere categorieën voeren de sociale instellingen een sociaal onderzoek en een inkomstenonderzoek uit. Louter het hebben van een handicap die door de FOD Sociale Zekerheid erkend wordt, betekent nog niet dat men automatisch een uitkering ontvangt die recht geeft op het sociaal tarief. Hierbij dient ook opgemerkt te worden dat het bedrag van de uitkering in alle gevallen afhankelijk is van het gezinsinkomen[32].

Ten tweede dient onderstreept te worden dat een handicap een zware financiële last[33] met zich meebrengt, en vandaar ook het nauwe verband tussen handicap en armoede, zoals uit talrijke studies en rapporten blijkt[34]. Dit speelt dus ook voor gezinnen met kinderen met een handicap die zonder inkomensonderzoek in aanmerking komen voor het sociaal tarief. Volgens het rapport van de Europese Commissie van 2025 over België worden “30,0% van de personen met een handicap bedreigd door een risico op armoede of sociale uitsluiting (EU: 28,8%). Dit houdt verband met een lagere werkgelegenheid en een grote arbeidsparticipatiekloof tussen mensen met en zonder handicap in België.”[35]

Ten derde zou een erkenning van het recht op het sociaal tarief voor personen die een tegemoetkoming ontvangen voor een handicap een erkenning door de maatschappij van de kwetsbaarheid van hun situatie moeten zijn. Het toekennen van dit recht is wel het minste dat we kunnen doen, gezien het gebrek aan plaatsen en infrastructuren die geschikt zijn voor mensen met een handicap in de Belgische samenleving.

En ten vierde, zelfs al zouden er enkele mensen het sociaal tarief krijgen terwijl ze dat niet nodig hebben, dan is dat nog geen reden om het hele systeem dan maar te schrappen, want het sociaal tarief heeft zijn doeltreffendheid bij het bestrijden van energiearmoede al ruimschoots bewezen (zie punt 1).

4.    Komt de verschillende behandeling van mensen naargelang de gekozen energiedrager neer op discriminatie?

Volgens sommige marktspelers in de energiesector is de verschillende behandeling van huishoudens naargelang de gekozen energiedrager een reden om het sociaal tarief te vervangen door een premie. Het klopt dat huishoudens die op aardgas en elektriciteit verwarmen recht hebben op het sociaal tarief (zolang ze voldoen aan de wettelijke voorwaarden), en huishoudens die verwarmen met stookolie, pellets, kolen of hout niet.

Voor sommige van deze energiedragers bestaan er andere fondsen die recht geven op hulp op basis van specifieke voorwaarden en voor verschillende bedragen, zoals het Sociaal Stookoliefonds en het Gas- en Elektriciteitsfonds, waarmee OCMW’s huishoudens kunnen helpen om hun schulden af te betalen, of via sociale en budgettaire begeleiding.

Wat de vermeende discriminatie van sommige huishoudens op basis van de gebruikte verwarmingsmethode betreft, heeft het Grondwettelijk Hof de verschillende behandelingen naargelang het verwarmingsmiddel niet als discriminerend beoordeeld in een arrest over de federale premies die tijdens de prijscrisis toegekend werden[36].

In dit specifieke geval had de wetgever verschillende tijdelijke steunmaatregelen genomen om huishoudens te helpen, waaronder diverse premies voor elektriciteit en gas, om de gevolgen van de aanzienlijke stijging van de energieprijzen te verzachten. De verzoekende partijen voerden aan dat er discriminatie was tussen enerzijds huishoudens die op elektriciteit verwarmden en alleen een federale elektriciteitspremie ontvingen en anderzijds huishoudens die op aardgas, huisbrandolie of flessen propaan verwarmden en ook nog eens een premie voor aardgas, huisbrandolie of flessen propaan ontvingen.

Om de vermeende ongelijke behandeling te beoordelen, baseerde het Hof zich zowel op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever heeft op het gebied van sociaal-economische zaken als op de wens om de impact van de stijging van de energieprijzen op de energiefactuur van huishoudens zo snel mogelijk te beperken. Zo staat in het arrest: “Het Hof zou de maatregelen die in die aangelegenheid door [de wetgever] zijn genomen, slechts kunnen afkeuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij onredelijk zouden zijn.” Het Hof oordeelde dat het niet onredelijk was dat de wetgever deze premies toekende op basis van de energiebron, zonder rekening te houden met het daadwerkelijke verbruik van de huishoudens, noch met de manier waarop de verbruikte energie concreet aangewend werd.

De beginselen van gelijkheid en non-discriminatie kunnen niet gebruikt worden ter rechtvaardiging van een achteruitgang in de bescherming van de rechten van huishoudens, want dat zou in strijd zijn met het non-regressiebeginsel[37]. Het sociaal tarief heeft zijn waarde al lang bewezen, dus in plaats van dit systeem te gaan ontmantelen, zouden we beter inzetten op meer bescherming van kwetsbare huishoudens die gebruikmaken van andere verwarmingsmiddelen. Een forfaitaire premie toekennen aan iedereen zou leiden tot een verarming van de huishoudens (zie punt 1).

5.    Sluit het regeerakkoord de uitbreiding van de toegang tot het sociaal tarief uit?

Aangezien het sociaal tarief zo doeltreffend is, zou het niet alleen gehandhaafd, maar zelfs uitgebreid moeten worden door een inkomenscriterium op te nemen in de toekenningsvoorwaarden, als aanvulling op de huidige toekenning op basis van sociale statuten. Net zoals tijdens de pandemie[38] zou de toegang tot het sociaal tarief dus definitief uitgebreid moeten worden naar begunstigden van de verhoogde tegemoetkoming en huishoudens met een equivalent inkomen.

Het zou ook noodzakelijk en rechtvaardig zijn om gereguleerde degressieve prijzen in te voeren voor huishoudens uit de middenklasse met een inkomen hoger dan het inkomen dat recht geeft op de verhoogde tegemoetkoming. Ook het vermelden waard is dat de Ombudsdienst voor Energie eveneens voorstander is van een dergelijke uitbreiding van het sociaal tarief, zoals blijkt uit het memorandum van juli 2024[39] (beleidsadvies nr. 4).

Een uitbreiding van het sociaal tarief naar andere categorieën van mensen met lage inkomens is zowel rechtvaardig als noodzakelijk. Alleen komt dit niet overeen met wat in het regeerakkoord staat, aangezien dat in eerste instantie ‘een budgetneutrale hervorming van het sociaal energietarief’ voorziet. Deze beperking is echter op verschillende niveaus betwistbaar, en kan omzeild worden.

Ten eerste is België gehouden aan internationale juridische verplichtingen. Toegang tot energie tegen een betaalbare prijs is een grondrecht dat niet kan dienen als variabele voor aanpassingen. Officiële instellingen zoals de Raad van Europa en de Verenigde Naties benadrukken voortdurend dat staten de doeltreffendheid van grondrechten niet mogen laten afhangen van de toestand van de begroting. Integendeel, staten moeten hun begroting zo opstellen dat grondrechten die onlosmakelijk verbonden zijn met de menselijke waardigheid met voorrang gefinancierd worden[40].

Het sociaal tarief vervangen door een premie zou echter een achteruitgang betekenen in de huidige bescherming van de begunstigden (zie de tabel met de voordelen van het sociaal tarief ten opzichte van de energiecheque). Erger nog, sommige mensen die vandaag wel het sociaal tarief genieten zouden uit de boot vallen en geen aanspraak kunnen maken op een energiecheque. Het regeerakkoord voorziet weliswaar toekenning aan andere categorieën van mensen op basis van hun inkomen/vermogen, maar zonder dat dit invloed heeft op de overheidsbegroting.

Bovendien vormt een omzetting van een tarief in een premie duidelijk een probleem binnen een ‘budgetneutrale’ context, aangezien het sociaal tarief een flexibel instrument is waarvan de contouren mee evolueren met de energieprijzen. Hoe hoger de energieprijzen, hoe groter de tussenkomst van de overheid via het sociaal tarief. Overigens hangt het aantal begunstigden ook samen met de algemene sociale situatie in het land. Als minder mensen het leefloon zouden krijgen, dan zouden er ook minder huishoudens zijn die op basis van dit statuut het sociaal tarief zouden genieten. En omgekeerd, als de armoede toeneemt, zal ook het aantal begunstigden van het sociaal tarief stijgen. Hoe valt dan te berekenen wat ‘budgetneutraal’ zou zijn?

Er is nog een ander probleem: als er een referentieperiode gekozen wordt waarin de energieprijzen laag zijn, of waarin het aantal mensen dat in aanmerking komt voor het sociaal tarief beperkt is, dan zal het budget voor de premies volstrekt ontoereikend zijn bij een stijging van de energieprijzen of het aantal mensen in armoede.

Zo zou deze door de regering vooropgestelde ‘budgetneutrale’ hervorming sommige huishoudens in de energiearmoede duwen door hen het recht op bijstand te ontnemen – of die bijstand nu bestaat uit een sociaal tarief of een energiecheque, dat daargelaten – in een land waar nu al één op de vijf inwoners in energiearmoede leeft. Een dergelijke achteruitgang in de bescherming van huishoudens staat haaks op zowel de nationale als de internationale verplichtingen van België, want dit is in strijd met het eerder genoemde principe van standstill.

Ten tweede: de uitbreiding van het sociaal tarief die wij voorstaan, zou aanvankelijk inderdaad extra overheidsuitgaven veroorzaken, maar die zouden snel gecompenseerd worden door besparingen op andere vlakken. Elke euro die geïnvesteerd wordt in het voorkomen van energiearmoede (door meer mensen toegang te geven tot het sociaal tarief) helpt huishoudens te beschermen tegen een torenhoge schuldenlast en gezondheidsproblemen door ontbering op energievlak. Hierbij brengen we ook in herinnering dat een studie van Eurofound vastgesteld heeft dat “voor elke 3 euro die geïnvesteerd wordt in de renovatie en isolatie van woningen, om ze gezond en veilig te maken, er al binnen een jaar 2 euro terugverdiend wordt op het vlak van gezondheidszorg en welzijn.”[41]

Ten derde kan de maatregel voor sociale rechtvaardigheid die wij aanbevelen gefinancierd worden met een deel van de Europese fondsen (gerelateerd aan het Sociaal Klimaatplan en de inkomsten uit ETS2)[42] en door een hogere belasting op de winsten van grote bedrijven in de energiesector. Een voorbeeld: Electrabel, een dochteronderneming van de Franse groep Engie, behaalde een recordresultaat van bijna 7,9 miljard euro in 2024 en betaalde aan haar moedermaatschappij een al even uitzonderlijk dividend uit (6,2 miljard euro). Sinds half 2023 hoeft Electrabel overigens de belasting op overwinsten niet meer te betalen die tijdens de energiecrisis ingevoerd was, en ook de nucleaire bijdrage daalt[43].

Tot slot willen we onderstrepen dat regeerakkoorden zelden tot nooit volledig nageleefd worden. Het is dus onjuist om te beweren dat de federale staat nu gedwongen is om het sociaal tarief te vervangen door een premie, louter omdat een hervorming in die zin in het regeerakkoord staat. Een regeerakkoord is namelijk niet juridisch bindend. Bijgevolg vragen wij dat het huidige systeem van het sociaal tarief uitgebreid wordt, of toch op zijn minst behouden blijft.

[1]Pagina 89 van het federaal regeerakkoord voor de regeerperiode 2024-2029: https://www.belgium.be/sites/default/files/resources/publication/files/Regeerakkoord-Bart_De_Wever_nl.pdf

[2] Verslag 2022 van de Nationale Bank van België, ‘Preambule, Economische en financiële ontwikkelingen, Prudentiële regelgeving en prudentieel toezicht’, pp. 99-101. https://www.nbb.be/doc/ts/publications/nbbreport/2022/nl/t1/verslag2022_ti_volledig.pdf

[3] FORBEG, ‘A European comparison of electricity and natural gas prices for residential, small professional and large industrial consumers’, mei 2023, p. 327, geraadpleegd op www.creg.be.

[4]https://www.creg.be/sites/default/files/assets/Publications/Advices/A2958NL.pdf

[5]https://feb.kuleuven.be/research/les/pdf/LES%202022%20-%20192%20energieprijsschok.pdf

[6]https://www.ugent.be/eb/economics/en/research/gei/gei5

[7] https://www.lachambre.be/doc/PCRI/pdf/56/ip040x.pdf

[8] Vrije vertaling van: “le tarif social est un outil fondamental. Il permet de garantir un accès équitable à l’énergie, particulièrement pour les ménages les plus vulnérables. C’est encore plus crucial dans un contexte de forte volatilité des prix de l’énergie.”

[9] Vrije vertaling van: “absolument toutes les études sont unanimes : le tarif social est un outil essentiel pour lutter contre la précarité énergétique. Il protège des centaines de milliers de ménages belges qui ne pourraient pas se chauffer sans lui.”

[10] Vrije vertaling van: “Pendant la crise énergétique, le tarif social élargi a permis de soulager de nombreuses familles et de limiter la casse.”

[11] Pagina 5 van de Beleidsnota Armoedebestrijding, https://www.lachambre.be/flwb/pdf/56/0856/56K0856010.pdf.

[12] Zie het onderzoek van de UCL en de KU Leuven getiteld ‘Studie over non-take-up van het leefloon en afgeleide rechten’, 2024, https://www.mi-is.be/sites/default/files/documents/NTU_rapport_NL.pdf.

[13] Deze automatisering, in werking sinds 2010, is gebaseerd op een databank van beschermde residentiële klanten, beheerd door de FOD Economie en elk kwartaal bijgewerkt om automatische gegevensuitwisseling met leveranciers mogelijk te maken. Zo zijn er veel minder gevallen van niet-gebruik, waarbij residentiële klanten eigenlijk voldoen aan de voorwaarden voor het sociaal tarief, maar er geen gebruik van maken omdat ze niet als rechthebbenden aangemerkt worden door hun leverancier. Rechthebbenden die niet gedekt worden door deze automatisering kunnen alsnog aanspraak maken op het sociaal tarief door een papieren attest van de betrokken instelling over te maken aan hun leverancier. De evolutie van het aantal beschermde klanten in de tijd toont aan dat de automatisering geholpen heeft om meer rechthebbenden te bereiken, want hun aantal is gestegen van zo’n 255.000 in 2009 tot ongeveer 400.000 in 2010 en ruim 468.000 in 2011. Intussen is de kaap van 500.000 gerond.

https://www.creg.be/sites/default/files/assets/Publications/Advices/A2958NL.pdf

[14] https://www.creg.be/nl/publicaties/advies-a2530

[15] https://www.creg.be/sites/default/files/assets/Publications/Advices/A2958NL.pdf

[16] De Franstalige Ombudsdienst heeft zich hierover publiekelijk uitgesproken op LinkedIn, via de pagina van de Franstalige Ombudsdienst voor Energie.

[17] De verplichting van standstill, zoals erkend door de afdeling Wetgeving van de Raad van State en bekrachtigd door de grondwettelijke overheid in het kader van de voorbereidende werkzaamheden van artikel 23 van de Grondwet en ondersteund door de rechtsleer, legt aan de wetgever op om het geboden niveau van bescherming aan een recht-vordering te handhaven of te verbeteren, waarbij elke vermindering van dit al bestaande beschermingsniveau zonder het bestaan van dwingende redenen verboden wordt.
Meer bepaald wat betreft het recht op sociale zekerheid en maatschappelijke hulp, bekrachtigd door artikel 23, 3de lid, 2°, van de Grondwet, en waarin het sociaal tarief kadert, heeft het Arbitragehof (in 2007 hernoemd tot het Grondwettelijk Hof) uitdrukkelijk erkend dat het aannemen van deze bepaling “de verplichting zou teweegbrengen om, zonder daarom precieze subjectieve rechten te verlenen, de voordelen van de van kracht zijnde normen te handhaven door het verbod in te stellen om tegen de nagestreefde doelstellingen in te gaan” (Arbitragehof, 27 november 2002, arrest nr. 169/2002). Bijgevolg zou elke wetgevende of reglementaire maatregel die het huidige beschermingsniveau verlaagt, geacht kunnen worden in strijd te zijn met de rechten die verleend worden door voornoemd artikel 23.

[18] Deze federale premies kaderen in een breder pakket van federale maatregelen die als doel hebben om de impact van de prijsstijgingen te verzachten: https://www.socialenergie.be/nl/een-update-over-de-toepassing-van-de-federale-steun-en-maatregelen-in-de-strijd-tegen-de-prijsstijgingen/; https://www.socialenergie.be/fr/mesures-federales-cheques-energie-et-tarif-social-elargi-jusquen-mars-2023/.

[19] In 2023 ontving de Federale Ombudsdienst meer dan 1700 klachten over de “energiepremies”, oftewel een kwart van alle ontvankelijke klachten. De conclusie van de Ombudsman is duidelijk: “Goedbedoelde en nuttige maatregelen schoten zo in veel gevallen hun doel voorbij, en heel wat burgers, onder wie vaak de meest kwetsbare, verloren hun vertrouwen in de overheid.” https://www.federaalombudsman.be/sites/default/files/2024-04/Jaarverslag_2023_federale%20ombudsman%20Web.pdf p. 27; https://www.socialenergie.be/nl/lessen-uit-de-forfaitaire-energie-premies/

[20] In Frankrijk bijvoorbeeld, waar een systeem van energiecheques van kracht is, werden eind september 2024 een miljoen aanvragen op het webportaal verwacht (van nieuwe mensen die in aanmerking kwamen). Amper 110.000 aanvragen werden ingediend en 31.500 cheques werden uiteindelijk toegekend. Dit komt neer op bijna 97% niet-gebruik. https://www.precarite-energie.org/reforme-du-cheque-energie-un-nouveau-systeme-dattribution-risquant-daggraver-le-non-recours/

[21] In Frankrijk bijvoorbeeld werd de uitbetaling van de energiecheque uitgesteld van april 2025 tot november 2025, met een verslechtering van de situatie van de begunstigden tot gevolg. Bij 10% onder hen heeft deze vertraging zelfs geleid tot een afsluiting van de energietoevoer of een beperking van het geleverde vermogen: https://www.energie-mediateur.fr/wp-content/uploads/2025/10/synthese_barometre-energie-info_2025.pdf

[22] Volgens recente berekeningen van de CREG betalen 1,2 miljoen Belgische huishoudens 1.000 euro te veel per jaar voor hun elektriciteit en aardgas. Het gebrek aan kennis over hun eigen energiecontract en het gebrek aan transparantie op de energiemarkt zijn de belangrijkste oorzaken. 70% van alle consumenten kent de productnaam en de versiedatum van hun energieproduct niet: https://www.creg.be/nl/nieuws/persbericht-van-17/05/24. Nog steeds volgens de CREG had slechts 18% van de Brusselaars ingetekend op één van de vijf goedkoopste contracten. Aan de oorzaak liggen de complexe formules, die het voor huishoudens moeilijk tot zelfs onmogelijk maken om goed te vergelijken.

[23] Het voorbeeld van de invoering van de ‘sociaaltariefpremie voor collectieve installaties’ kan in dezen verhelderend zijn (zie https://economie.fgov.be/nl/themas/energie/sociale-energie/de-sociaaltariefpremie-voor). Het bedrag van de premie, berekend per kwartaal, is niet gekoppeld aan het daadwerkelijke verbruik van de huishoudens, maar wordt vastgesteld op basis van de fondsen die de staatsbegroting beschikbaar stelt.  Ter illustratie: de premiebedragen voor het derde kwartaal van 2024 waren bijzonder laag, namelijk 6,52 euro voor aardgas, 5,41 euro voor elektriciteit en 2,93 euro voor het warmtenet. Bekijk deze cijfers per kwartaal op https://www.creg.be/nl/consumenten/prijzen-en-tarieven/sociaal-tarief/sociaaltariefpremie-voor-collectieve-installaties.

[24] https://www.creg.be/nl/publicaties/advies-a2530

[25] https://media.kbs-frb.be/nl/media/11988/PUB_3961_BarometerEnergiearmoede2024_DEFDEF

[26] Vreemd genoeg verbruiken armere huishoudens – die meestal ipso facto het sociaal tarief genieten – juist minder energie. Hier zijn twee redenen voor: de woningen van armere huishoudens zijn gemiddeld kleiner, en door een gebrek aan middelen laten ze de verwarming uit staan, of verwarmen ze bijvoorbeeld alleen de woonkamer. Energiearmoede treft 31% van de huishoudens met de grootste financiële moeilijkheden. Zie J. Girès, ‘Energiearmoede in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest’, 2025/4 | Tijdschrift Grondrechten en armoede, p. 90 e.v.: https://droitpauvrete.be/nl/energiearmoede-tijdschrift-4-2025/. De auteur bespreekt er zijn onderzoek, getiteld: Observatorium voor Gezondheid en Welzijn van Brussel-Hoofdstad, Energiearmoede in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2025, Vivalis.

[27] Zie in dit verband de opmerkingen van de heer Locquet van de CREG in de Commissie voor Energie, Leefmilieu en Klimaat op 9 december jongstleden (1192/001, p. 29).

[28] https://www.lecho.be/monargent/dossiers/economies-d-energie/quelles-renovations-peuvent-contribuer-a-faire-baisser-votre-facture-d-energie/10385980.html

[29] https://safeguardeurope.com/articles/5-energy-saving-quick-tips-for-a-warmer-winter

[30] https://economie.fgov.be/nl/themas/energie/sociale-energie/sociaal-tarief-voor-energie

[31] Dit in tegenstelling tot de verzekeringsuitkeringen, zoals werkloosheidsuitkeringen of mutualiteitsvergoedingen bij arbeidsongeschiktheid.

[32] Bijvoorbeeld: voor een huishouden van twee personen, waarvan één een handicap heeft, met een gezamenlijk inkomen van 2.500 euro, verstrekt de FOD Sociale Zekerheid een toelage van 100 euro per maand; voor een huishouden van drie personen, waarvan twee een erkende handicap hebben, met een gezamenlijk inkomen van 2.500 euro, verstrekt de FOD Sociale Zekerheid een toelage van 300 euro per maand. Andere voorbeelden: voor de IGO weten we dat geïsoleerde personen een uitkering ontvangen waarmee ze aan 1.580,37 euro bruto per maand kunnen komen. Het is dus wederom een inkomensafhankelijke uitkering. Voor de THAB hangt het recht af van het inkomen van het huishouden, met name de beroepsinkomsten en de pensioenen; de onroerende goederen en de verkoop hiervan in de laatste tien jaar; en de spaargelden.

[33] Een gezinslid kan zich bijvoorbeeld genoodzaakt zien om te stoppen met werken om mantelzorg op zich te nemen. Ook de kosten van het benodigde materiaal zijn hoog: een aangepast bed, een rolstoel, aanpassingen aan de woning … Mensen met een handicap brengen ook gemiddeld meer tijd thuis door, waardoor het energieverbruik hoger ligt.

[34] Zie met name het rapport over de relatie tussen armoede en handicap opgesteld op initiatief van de FOD Sociale Zekerheid (2019), getiteld ‘Armoede en handicap’: https://www.mi-is.be/sites/default/files/documents/armoede_en_handicap_in_belgie_2019.pdf, alsook de studie uitgevoerd door Jeroen Horemans (Universiteit Antwerpen) : https://www.mi-is.be/sites/default/files/documents/Paper%203A_NL_DEF%20%20Armoede%20bij%20personen%20met%20een%20handicap.pdf

[35] https://economy-finance.ec.europa.eu/document/download/db66340f-3711-4f6e-aadd-81528e029de8_nl?filename=BE_CR_SWD_2025_201_1_NL_autre_document_travail_service_part1_v2.pdf, p. 98.

[36] Grondwettelijk Hof, arrest nr. 65/2024 van 20 juni 2024, punt B.11.

[37] VN-comité voor economische, sociale en culturele rechten, Algemeen commentaar nr. 3: De aard van de verplichtingen van staten die partij zijn: Elke regressieve maatregel moet volledig gerechtvaardigd worden door te refereren aan alle rechten waarop het Verdrag betrekking heeft, en dit door gebruik te maken van alle beschikbare middelen.

[38] Na de coronacrisis en de stijging van de prijzen had de federale regering besloten tot een uitbreiding van 1 februari 2021 tot 30 juni 2023.

[39] https://www.ombudsmanenergie.be/sites/default/files/content/download/files/memorandum2024.pdf

[40] Zie FIDH v. België, vordering nr. 75/2011, beslissing ten gronde van 18 maart 2013, §147. Het Europees Comité voor sociale rechten heeft bovendien verklaard, in de Algemene Inleiding tot de Conclusies XIX-2 (2009) over de gevolgen van de economische crisis voor sociale rechten dat de Partijen, door ondertekening van het Sociaal Handvest, “hebben aanvaard om met alle nuttige middelen de verwezenlijking na te streven van voorwaarden die een doeltreffende uitoefening van een aantal rechten garanderen, waaronder het recht op gezondheid, het recht op sociale zekerheid, het recht op sociale en medische bijstand, evenals het recht op sociale diensten”. Het comité concludeert bovendien dat “de economische crisis zich niet mag vertalen in een zwakkere bescherming van de rechten erkend in het Handvest. De regeringen moeten daarom alle noodzakelijke maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat deze rechten daadwerkelijk gegarandeerd worden op het moment dat de behoefte aan bescherming het grootst is.” https://hudoc.esc.coe.int/fr/?i=2013_163_06/Ob/FR

[41] Eurofound, Inadequate housing in Europe: Costs and consequences, 2016. https://www.eurofound.europa.eu/en/publications/2016/inadequate-housing-europe-costs-and-consequences

[42] Na goedkeuring van het Sociaal Klimaatplan door de Europese Commissie zou België 1,66 miljard euro ontvangen van de EU, via het Europees Sociaal Fonds. Daarmee kunnen sociale maatregelen gefinancierd worden die de prijsstijging van aardgas vanaf 2028 moeten verzachten. Dat is immers het jaar waarin een koolstofbelasting op brandstoffen wordt ingevoerd, ‘ETS2’ genaamd. Het aangekondigde doel van deze belasting is om de uitstoot van broeikasgassen geleidelijk te verminderen en tegen 2050 klimaatneutraliteit te bereiken. Of het nu benzine, diesel, stookolie of gas is, de verschillende leveranciers zullen deze koolstofbelasting moeten betalen en allicht integraal doorrekenen aan de klant. Huishoudens zullen dit voelen in hun portemonnee als ze fossiele energie blijven gebruiken om zich te verwarmen of te verplaatsen. Deze extra kosten worden geraamd op gemiddeld 250 à 400 euro per jaar per huishouden vanaf 2027, volgens een analyse van het Federaal Planbureau. Bij huishoudens met een laag inkomen is de kans dan veel groter dat hun uitgaven met meer dan 1% van hun inkomen zullen stijgen. Zij besteden immers gemiddeld een groter deel van hun inkomen aan verwarming. https://www.plan.be/sites/default/files/documents/ART_021_13173_NL.pdf

[43] https://www.lecho.be/economie-politique/belgique/federal/Electrabel-verse-6-2-milliards-d-euros-de-dividendes-a-Engie/10608555.html