< Terugkeer

Afloop van het statuut van beschermde klant : een recente beslissing van de Geschillendienst van Brugel die vragen doet rijzen

Geplaatst op: 18/10/2022

In deze recente beslissing (referentie: R2021-078) verduidelijkt de Geschillendienst van Brugel zijn interpretatie van de tariefvoorwaarden die een leverancier kan toepassen wanneer het statuut van beschermde klant ten einde loopt, alsook de manier waarop de leverancier in zo’n situatie moet communiceren met zijn klanten.

Mevrouw sluit contracten voor de levering van gas en elektriciteit voor een periode van drie jaar en tegen vaste prijzen af. Twee jaar later verkrijgt mevrouw het statuut van beschermde klant voor gas en elektriciteit. Haar contract wordt opgeschort, ze lost haar schulden af en verliest bijgevolg na anderhalf jaar het statuut van beschermde klant.

Een paar dagen voordat ze dit statuut verliest, krijgt mevrouw van haar commerciële leverancier een document waarin staat dat haar energiecontracten binnenkort worden hervat. De bijgevoegde tariefvoorwaarden verduidelijken dat het gaat om nieuwe contracten met een looptijd van drie jaar tegen verhoogde tarieven.

Via haar OCMW dient mevrouw klacht in tegen de Geschillendienst. Ze stelt dat de oorspronkelijke contracten niet afgelopen zijn en dat er dus geen wettelijke reden is om die contracten te verbreken en nieuwe contracten af te sluiten. Er resteerden immers nog respectievelijk 94 en 354 dagen op de contracten voor elektriciteit en gas van de aanklaagster op het ogenblik dat die contracten werden opgeschort.

De Geschillendienst herinnert eraan dat de ordonnanties Gas en Elektriciteit bepalen dat zodra het gezin alle schuld heeft aangezuiverd in naleving van het aanzuiveringsplan het niet meer wordt erkend als beschermde afnemer en de opschorting van het contract met de commerciële leverancier wordt beëindigd.

Voor de Geschillendienst kan uit deze bepaling enkel worden afgeleid dat de levering moet worden hervat tegen dezelfde voorwaarden als oorspronkelijk vastgelegd. Een leverancier zou bijgevolg na afloop van de opschorting van het contract de voorwaarden van dit contract kunnen wijzigen.

De Geschillendienst vindt dus het volgende: “Er moet rekening worden gehouden met de last voor leveranciers als ze verplicht zouden worden om de contracten te hervatten tegen dezelfde voorwaarden als vóór de opschorting van het contract. Sommige klanten genieten immers gedurende een erg lange periode van het statuut van beschermde klant. Bijgevolg is het voor de leverancier niet altijd mogelijk om een van zijn oude tarieven aan te bieden, aangezien de energiemarkt evolueert, in het bijzonder de laatste tijd.

De Geschillendienst wijst ook op de bepaling in de ordonnanties Gas en Elektriciteit die bepaalt dat een leverancier zijn contractvoorwaarden kan wijzigen op voorwaarde dat hij zich aan een aantal wettelijke voorwaarden houdt. Zo moet elke wijziging van de niet-contractuele prijs ook tijdig, en in ieder geval voor afloop van de normale factureringsperiode na de inwerkingtreding van de verhoging, aan de klanten worden meegedeeld. Het staat de klanten vrij om het contract te verbreken als ze niet akkoord gaan met de nieuwe voorwaarden.

In dit geval vindt de Geschillendienst dat deze bepaling werd nageleefd. Betreffende de omstandigheid dat er nieuwe contracten van drie jaar naar de aanklaagster werden gestuurd, merkt de Geschillendienst op dat de leverancier de commerciële vrijheid heeft om potentiële klanten contracten voor te stellen.

De Geschillendienst vestigt echter de aandacht op de communicatieproblemen van de leverancier in het kader van de behandeling van dit dossier: “Men zou duidelijker moeten zijn omtrent de keuzes van de klanten die het statuut van beschermde klant verliezen. In dit geval had [de leverancier] de aanklaagster erop moeten wijzen dat als zij het voorstel voor nieuwe contracten zou weigeren, de oorspronkelijke contracten opnieuw zouden worden geactiveerd maar dan tegen een bijgesteld tarief.

De klacht van mevrouw werd ontvankelijk maar ongegrond verklaard.

We betreuren deze beslissing van de Geschillendienst, want zij is volgens ons gebaseerd op een verkeerde interpretatie van de geldende wetgeving, en dit met name om twee belangrijke redenen:

  • De contractuele voorwaarden die van toepassing zijn na afloop van het statuut van beschermde klant

We herinneren eraan dat, hoewel er in de ordonnanties effectief niet vermeld staat dat de levering volgens de oorspronkelijke voorwaarden dient te gebeuren wanneer het statuut van beschermde klant ten einde gelopen is, zij evenmin bepalen dat de levering dient te gebeuren volgens de geldende marktvoorwaarden op het ogenblik van verlies van het statuut.

De wetgever had de voorwaarden van de afloop van het statuut van beschermde klant echter in die zin kunnen preciseren bij de recente hervorming van de ordonnanties Gas en Elektriciteit, net zoals de federale wetgever heeft gedaan voor de gevallen waarin een begunstigde van het sociaal tarief het recht op dit tarief verliest (zie wet van 28 februari 2022 houdende diverse bepalingen inzake energie). Aangezien er geen wetswijziging werd doorgevoerd, moet het behoud van de aanvankelijk vastgelegde prijs in het opgeschorte contract met de commerciële leverancier prevaleren, en dit om meerdere redenen.

Ten eerste zijn de nota (Z)2265 van de CREG “over de opzegging, de verlenging en de hernieuwing van leveringscontracten van energie: aandachtspunten naargelang de bepaalde of onbepaalde duur van het contract” en de website van de FOD Economie van mening dat “voor een contract van bepaalde duur (hierna: CBD) is de vaste prijs (als het gaat om een product tegen vaste prijs) of de formule van de prijsindexering (als het gaat om een product tegen variabele prijs) tijdens de hele contractduur van toepassing en kan hij door de leverancier niet worden gewijzigd vóór het verstrijken van het contract”.

Ten tweede besluit de studie 07-2014010 van Brugel “over de opschorting van het leveringscontract gedurende de periode van sociale bescherming, de gevolgen hiervan en de rechten en plichten van de partijen in dit contract” het volgende: “Krachtens het principe van goede trouw en omdat er nieuwe beschermingsmaatregelen van de consument in voege zijn getreden, moet het leveringscontract worden aangepast om zijn nut te behouden. De leverancier zal de prijs evenals de algemene voorwaarden moeten aanpassen.

Deze conclusie is gebaseerd op het feit dat “het principe van de te goeder trouw uitvoering van de overeenkomsten, zoals vermeld in artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek, verbiedt een partij van een contract misbruik te maken van de rechten die dit contract hem toekent”, dat “de matigingswerking van de goede trouw biedt dus de mogelijkheid om bepaalde gevallen van ingrijpende verandering van het contractuele opzet te bestrijden” en dat “de rechtsleer stelt bovendien dat ‘door te weigeren om de voorwaarden van het ingrijpend veranderde contract te heronderhandelen, de schuldeiser misbruik pleegt van zijn recht’.” (p. 15)

In dit geval blijkt niet dat mevrouw haar recht probeert te misbruiken. Ze vraagt gewoon dat de oorspronkelijk toegekende voorwaarden nog worden toegepast gedurende de resterende looptijd van het contract: 354 dagen voor haar gascontract en 94 dagen voor haar elektriciteitscontract.

Om de voornoemde studie te citeren, is hier geen sprake van “een ingrijpende verandering van het opzet van het leveringscontract van de commerciële leverancier” die een andersluidende conclusie rechtvaardigt dan het principe voor het behoud van de belangrijkste elementen van het afgesloten contract, aangezien het hier nog altijd om een contract van bepaalde duur gaat.

Ten derde herinneren we eraan dat het statuut van beschermde klant ook gepaard gaat met een zekere bescherming voor de commerciële leverancier, die tijdelijk stopt met leveren aan een klant met een openstaande schuld bij deze leverancier. De leverancier heeft er dus baat bij dat deze schuld in de beste omstandigheden wordt afgelost, aangezien de klant in de tussentijd tegen een voorkeurstarief door een noodleverancier zal worden bediend en de aflossing van het afbetalingsplan een voorwaarde blijft om het statuut van beschermde klant te behouden gedurende de volledige duur van dat plan.

Dit punt wordt bovendien uitdrukkelijk overgenomen in de memorie van toelichting van het ontwerp van ordonnantie tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen: “Voor de leverancier : het financieel risico zal aanzienlijk verminderen in de mate dat de leverancier niet langer een afnemer beleverd die zijn betalingsverbintenissen niet nakomt en die als beschermde afnemer wordt erkend. Vanuit administratief oogpunt zal de last eveneens gevoelig verlagen. Aangezien de schuld zal verminderen zal de waarschijnlijkheid om de schuld te recupereren verhogen.

Aangezien er volgens de statistieken van Brugel in augustus 2022 ongeveer 2.300 beschermde klanten voor elektriciteit en 1.800 voor gas waren, kan – zoals deze beslissing nu doet – niet worden aangevoerd dat “het bijgevolg niet altijd een optie is voor een leverancier om hetzelfde tarief aan te bieden aan een klant die hij overneemt nadat deze klant heeft genoten van het statuut van beschermde klant voor een periode die erg lang kan zijn”, vooral wanneer je rekening houdt met het economisch gewin voor de leverancier op het vlak van vermindering van de schuldenlast en van de administratieve last.

Opnieuw is er hier geen sprake van een ingrijpende verandering van het opzet van het leveringscontract van de commerciële leverancier, die een afwijking zou rechtvaardigen van het algemene principe volgens hetwelk een leverancier de prijs niet eenzijdig mag wijzigen in het kader van een contract van bepaalde duur, bij gebrek aan een specifieke, andersluidende bepaling die door de Brusselse wetgever is goedgekeurd.

  • De niet-naleving van de wettelijke informatie- en communicatieverplichtingen door de leverancier

In zijn beslissing is de Geschillendienst van mening dat de leverancier zich wel heeft gehouden aan de voorschriften in de ordonnanties Gas en Elektriciteit maar dat er zich bij de afhandeling van dit dossier communicatieproblemen hebben voorgedaan. Desondanks werd de klacht van mevrouw ongegrond verklaard. Volgens de eigen rechtspraak van de Geschillendienst getuigt deze situatie echter van een duidelijke schending van de voorschriften in de ordonnanties door de leverancier.

Zo staat in de Gids voor de interpretatie van de openbare dienstverplichtingen van de leveranciers in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die door Brugel werd gepubliceerd: “De mededeling van [niet-contractuele prijswijzigingen] moet proactief zijn: de leverancier mag zich niet beperken tot een vermelding op een factuur, maar moet de aandacht van zijn afnemer vestigen op de wijziging in kwestie en op zijn recht om het contract op te zeggen. In het ideale geval moet de afnemer uitdrukkelijk instemmen met de contractuele wijziging opdat de relatie kan worden voortgezet.” (p. 11)

In het geval van mevrouw wordt niet aan deze voorwaarde voldaan. Vier dagen voordat haar statuut van beschermde klant afliep, kreeg ze een document waarin als enige verklaring het volgende stond: “We zullen dus vanaf 23/04/2021 opnieuw gas en elektriciteit bij u leveren. Uw energiecontracten worden vanaf die datum dus hervat.” Aangezien ze dit document ontving vlak voordat de opschorting van haar contract ten einde liep, ging mevrouw er te goeder trouw van uit dat de informatie in de brief betrekking had op het vorige contract dat werd hervat, en had zij niet redelijkerwijs kunnen weten dat de leverancier haar eerder een nieuw contract aan het voorstellen was.

De rechtspraak van de Geschillendienst geeft bovendien duidelijk aan dat “leveranciers verplicht zijn om hun klanten correct te informeren, zodat zij op toereikende wijze in kennis zijn gesteld van ieder voornemen van hun leverancier om de voorwaarden van hun contract te wijzigen. Deze informatie moet op transparante en begrijpelijke wijze worden meegedeeld.” (zie bijvoorbeeld beslissing R2022-101). Het bericht van de leverancier bevat echter geen uitdrukkelijke of duidelijke vermelding dat het om een voorstel voor een nieuw contract ging.

Bovendien kopieert de beslissing onterecht het argument van de leverancier, namelijk “als de aanklaagster niet het statuut van beschermde afnemer had verkregen, dan had haar tarief ook kunnen worden gewijzigd. Zo was haar tarief in februari 2020 gewijzigd voor elektriciteit en in oktober 2020 voor gas in het kader van een stilzwijgende verlenging, zoals voorzien in de contracten van 5 november 2017. Bijgevolg is de Geschillendienst van mening dat de leverancier het recht had om zijn tarieven aan te passen nadat de aanklaagster bij hem was teruggekeerd als klant.

Dit finale en contrafeitelijke argument kan niet worden aangevoerd: deze zuiver hypothetische situatie neemt niet weg dat de leverancier zijn verplichting niet is nagekomen – en dat is wel degelijk een feit – om mevrouw uitdrukkelijk en duidelijk mee te delen dat het om een voorstel voor een nieuw leveringscontract ging.

In aanvulling op de argumenten die we hier verdedigen, wijzen we tot slot nogmaals op de geldende regels in het – nochtans door de leverancier ondertekende – Akkoord ‘De consument in de vrije elektriciteits- en gasmarkt’ (artikel 2.3.4), die aantonen in welke mate de leverancier met zijn aanpak in dit geval de bepalingen in het akkoord heeft overtreden:

Indien de overeenkomst voorziet in de stilzwijgende verlenging ervan, brengen de energieleveranciers hun consumenten schriftelijk of via een duurzame drager op de hoogte van de stilzwijgende verlenging en de mogelijkheid tot opzegging van de overeenkomst. Deze kennisgeving gebeurt op een voor de consument duidelijke en ondubbelzinnige wijze, minstens 1 maand voor de datum die in de overeenkomst werd vastgesteld om zich te verzetten tegen de stilzwijgende verlenging. (…)

Wanneer een energieleverancier niet wenst over te gaan tot een stilzwijgende verlenging, maakt hij de consument een nieuw voorstel van leveringsovereenkomst over ten minste twee maanden voor de einddatum van de lopende overeenkomst. Dit nieuw voorstel wordt aan de consument ter kennis gebracht via hetzelfde middel waarmee gebruikelijk met de consument wordt gecommuniceerd in verband met de lopende overeenkomst. Dit voorstel doet duidelijk blijken dat het om een nieuw contractvoorstel gaat. Daarbij legt het duidelijk, ondubbelzinnig en op een specifieke wijze uit waarin de nieuw voorgestelde voorwaarden verschillen van de bestaande overeenkomst.